ECLI:NL:GHARL:2024:6849

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 november 2024
Publicatiedatum
7 november 2024
Zaaknummer
Wahv 200.343.464/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 14 WahvArtikel 6:17 AwbArtikel 6 EVRMArtikel 12, eerste lid WahvArtikel 5.2.56 Regeling voertuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie dimlichten buiten toepassing appelverbod wegens schending toegang rechter

De betrokkene werd door de officier van justitie gesanctioneerd met een boete van €100 wegens het rijden met dimlichten die niet aan de eisen voldeden. De kantonrechter matigde deze sanctie tot €75 en verklaarde het beroep deels gegrond, waarna het hoger beroep werd ingesteld.

Het hof constateerde dat de gemachtigde van de betrokkene niet was opgeroepen voor de vervolgzitting van 6 juni 2024, waardoor het recht op toegang tot de rechter en het recht om het standpunt toe te lichten was geschonden. Hierdoor werd het appelverbod buiten toepassing gelaten en het hoger beroep ontvankelijk verklaard.

Inhoudelijk oordeelde het hof dat het opgelegde sanctiebedrag en de feitcode N560 onjuist waren, omdat het niet branden van het linker achterlicht niet onder artikel 5.2.56 van de Regeling voertuigen valt. De sanctie kon daarom niet in stand blijven en werd vernietigd. Het hof besloot het beroep gegrond te verklaren en de sanctiebeslissing van de officier van justitie te vernietigen.

Uitkomst: Het hof laat het appelverbod buiten toepassing en vernietigt de sanctiebeslissing van de officier van justitie.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.343.464/01
CJIB-nummer
: 249917695
Uitspraak d.d.
: 7 november 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is [naam1] , wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 75,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv - zoals die bepaling luidt per 1 januari 2023 - bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
2. De stelling van de gemachtigde, erop neerkomende dat de appelgrens zoals die luidde ten tijde van de oplegging van de sanctie moet worden toegepast, vindt geen steun in het recht. De datum van de beslissing van de kantonrechter - als beslissing waartegen hoger beroep kan worden ingesteld - is bepalend voor het antwoord op de vraag welke appelgrens (€ 70,- of € 110,-) van toepassing is. Dit brengt mee dat de appelgrens zoals die luidt per 1 januari 2023 ook geldt voor procedures die gestart zijn met een inleidende beschikkingen van voor die datum. Verder wordt overwogen dat bepalend is de hoogte van de sanctie zoals die na de beslissing van de kantonrechter is.
3. Het hof stelt vast dat in deze zaak de kantonrechter het beroep gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en het bedrag van de sanctie heeft gematigd tot € 75,-. Dit betekent dat tegen de beslissing van de kantonrechter geen hoger beroep openstaat.
4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat zij geen oproeping voor de zitting van de kantonrechter van 6 juni 2024 heeft ontvangen.
5. Uit het dossier blijkt het volgende. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie behandeld op de zitting van 22 februari 2024. Daar is mevrouw [naam1] namens de betrokkene verschenen. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat zij de gelegenheid heeft gekregen haar standpunt toe te lichten. Omdat een machtiging van de betrokkene ontbrak heeft de kantonrechter de behandeling van het beroep aangehouden en mevrouw [naam1] in de gelegenheid gesteld een machtiging te overleggen. Op 8 maart 2024 heeft mevrouw [naam1] een machtiging ingebracht en de beroepsgronden aangevuld. De behandeling van het beroep is op de zitting van 6 juni 2024 voortgezet.
6. Op grond van artikel 6:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden, als iemand zich laat vertegenwoordigen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde gezonden.
7. Het dossier bevat een brief van de griffier van de rechtbank van 1 mei 2024 waarbij de betrokkene wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 6 juni 2024. Niet blijkt dat aan mevrouw [naam1] , als gemachtigde van de betrokkene, een oproeping voor die vervolgzitting is verzonden.
8. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of deze omstandigheid er toe dient te leiden dat het appelverbod buiten toepassing dient te blijven.
9. In artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ligt het recht op toegang tot de rechter besloten, daaronder begrepen het recht om ten overstaan van de rechter zijn standpunt toe te lichten, zoals uitgewerkt in artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Wanneer blijkt dat dit recht is geschonden - en daarop een beroep wordt gedaan - kan het appelverbod buiten toepassing worden gelaten (zie het arrest van dit hof van 12 juli 2018, te raadplegen op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
10. Het hof is van oordeel dat in deze zaak sprake is van schending van het recht op toegang tot de rechter als vorenbedoeld. Weliswaar is de gemachtigde verschenen op de zitting van de kantonrechter van 22 februari 2024, maar niet blijkt dat zij toen de gelegenheid heeft gekregen om haar standpunt toe te lichten. Om die reden - zo moet worden aangenomen - heeft de kantonrechter het noodzakelijk geacht een vervolgzitting te houden. De gemachtigde is hiervoor echter niet opgeroepen.
11. Gelet op het bovenstaande is er aanleiding het appelverbod buiten toepassing te laten. Het hoger beroep is daarmee ontvankelijk.
12. De beslissing van de kantonrechter kan, vanwege de hiervoor vastgestelde schending, niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen. Vervolgens zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie worden beoordeeld.
13. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene een sanctie opgelegd van € 100,- voor: “N560 - als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl de dimlichten niet aan de eisen voldoen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 juni 2022 om 00.45 uur op de Rijksweg A4 in Schipluiden met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
14. Door de betrokkene is onder meer aangevoerd dat onduidelijk is waarvoor hij een boete heeft gekregen. Het voertuig is op 25 april 2022 helemaal nagekeken en de dimlichten zijn door de garage juist goed afgesteld. Daarbij verwijst de betrokkene naar het bijgevoegde APK keuringsrapport. Verder voert de betrokkene aan dat hij reservelampen bij zich had en de ambtenaar heeft verzocht de lamp te mogen vervangen. De ambtenaar weigerde dit en gaf direct een boete. Een waarschuwing was volgens de betrokkene meer op zijn plaats.
15. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens.
16. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat het linker achterlicht niet brandde, terwijl het rechter wel brandde. Ik zag dat het voertuig slecht zichtbaar was, terwijl het nacht was.
Overtreden artikel: 5.2.56 Rv. (…)
De gedraging vond plaats buiten de bebouwde kom.
Verklaring betrokkene: Ik had vorige keer mijn licht gemaakt.”
17. Uit deze verklaring van de ambtenaar volgt dat het linker achterlicht van het voertuig waarin de betrokkene reed niet brandde. Daarop heeft artikel 5.2.56 van de Regeling voertuigen (Rv) geen betrekking. Dat artikel eist namelijk dat dimlichten goed zijn afgesteld. Gelet hierop had geen sanctie mogen worden opgelegd voor de hierboven onder 13. genoemde en in de inleidende beschikking omschreven gedraging. De inleidende beschikking kan dan ook niet in stand blijven.
18. Mogelijk had in dit geval een sanctie kunnen worden opgelegd voor het handelen in strijd met artikel 32, derde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (feitcode R426b) met de omschrijving: “niet gelijktijdig branden achterlicht(en) met lichten aan de voorzijde, bij nacht, buiten de bebouwde kom”. Het hof zal niet tot wijziging van de feitcode overgaan omdat het sanctiebedrag horende bij de gedraging met feitcode R426b hoger is dan het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie met feitcode N560, namelijk € 150,-.
19. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.