ECLI:NL:GHARL:2024:6827

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 november 2024
Publicatiedatum
6 november 2024
Zaaknummer
Wahv 200.342.009/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 10 lid 1 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep rijden op onverplicht fietspad zonder ontheffing

De betrokkene werd een boete van €150 opgelegd wegens het rijden met een motorvoertuig op een onverplicht fietspad in recreatiegebied Madestein te Den Haag, zonder geldige ontheffing. De betrokkene voerde aan dat zij de navigatie volgde en niet wist dat zij in overtreding was, en dat het onderbord uitzonderingen zou bevatten die niet waren vermeld.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. In hoger beroep bevestigde het gerechtshof deze beslissing. Het hof oordeelde dat de ambtenaar voldoende bewijs had geleverd dat de gedraging had plaatsgevonden en dat de betrokkene niet aannemelijk had gemaakt dat zij een uitzondering op het onderbord betrof.

Het hof verwierp de stelling dat de ambtenaar expliciet moest aangeven dat zich geen uitzonderingen hadden voorgedaan, verwijzend naar een eerdere uitspraak waarin dit alleen aan de orde was als de verbalisant expliciet was gevraagd daarop te antwoorden. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd eveneens afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de ongegrondverklaring van het beroep en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.342.009/01
CJIB-nummer
: 251072781
Uitspraak d.d.
: 6 november 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 28 maart 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 juni 2022 om 21.49 uur op het fietspad Recratiegebied Madestein Fietspad tussen de Madepolderweg en Lozerlaan in 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Uit de verklaring van de ambtenaar kan namelijk niet worden afgeleid dat de gedraging is verricht. De betrokkene heeft de gehele procedure consistent aangevoerd dat zij de navigatie heeft gevolgd, die was ingesteld op de Madesteinweg 36. De betrokkene heeft dit ook verklaard bij haar staandehouding. Volgens het bord is het toegestaan om aldaar te rijden. Anders dan voor de bestemmingen Madesteinweg 36 en 38, stuurt de navigatie hier helemaal niet in. De betrokkene is bovendien niet bekend in de regio, aldus de gemachtigde. Verder verwijst de gemachtigde in zijn nadere toelichting naar een door hem bijgevoegd arrest van het hof Leeuwarden (WAHV 200.075.521) waarin het hof in de rechtsoverwegingen 10 en 11 heeft geoordeeld dat een ambtenaar de niet-strafbare excepties van een onderbord moet aangeven. In het onderhavige geval is dat niet gebeurd.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gedraging met feitcode R315a betreft de overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken en dat zij voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten mogen gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat betrokkene met een motorvoertuig over een onverplicht fietspad reed gelegen in recreatiegebied Madestein te Den Haag, duidelijk aangegeven met bord G13. Betrokkene was niet in het bezit van een geldige ontheffing om daar te mogen rijden.
Betrokkene de cautie gegeven.
Betrokkene is door mij in kennis gesteld van welke strafbare gedraging deze werd verdacht. (…)
Ik zag dat het voertuig vanaf de madepolderweg het fietspad reed. Ik zag op dat moment ook fietsers over het fietspad. Ik zag dat de fietsers hinder ondervonden door het voertuig. Ik zag dat het voertuig in de richting van de Lozerlaan opreed. (…)
Vraag verbalisant: wist u dat u in overtreding was voor het rijden op een fietspad?
Antwoord betrokkene: was me er niet van bewust.
Vraag verbalisant: heeft u het bord fietspad gezien begin van het fietspad?
Antwoord betrokkene: nee
Vraag verbalisant: wat is de rede dat u hier reed?
Antwoord betrokkene: ik volgde de route die het navigatiesysteem van de auto aangaf, ik vond het al vreemd.”
6. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 20 december 2022, waarin de ambtenaar, voor zover hier relevant, het volgende verklaart:
“Op de vraag of er ter plaatse sprake was van een onderbord is het antwoord positief, aan het begin van het onverplicht fietspad staat duidelijk een RVV bord G13 met als onderbord met de tekst “Inrijden auto’s toegestaan voor bewoners/bezoekers van de percelen Madesteinweg 36 en 38.
Op de vraag: hebt u vastgesteld dat de betrokkene geen bewoner of bezoeker van de op het onderbord vermelde perceelnummers was? Zie bijlage 5x.
Verklaar ik dat de betrokkene op de vraag wat was de rede u over het fietspad reed?
Antwoord betrokkene: ik volgde de route die het navigatiesysteem van de auto aangaf, zij gaf aan dat zij het al vreemd vond. Zij gaf niet aan dat ze een bewoner of bezoeker was van één van de percelen.”
7. Bij het proces-verbaal heeft de ambtenaar een afdruk van Google Maps overgelegd waarop de situatie ter plaatse is te zien. Hierop is te zien dat aan het begin van het fietspad - dat direct grenst aan de Madesteinweg - aan de rechterkant het bord G13 staat met het onderbord: ‘inrijden auto’s toegestaan voor bewoners/bezoekers van de percelen Madesteinweg 36 en 38’.
8. In hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Uit deze verklaring volgt dat de ambtenaar de betrokkene over een onverplicht fietspad heeft zien rijden en het begin van dit pad wordt aangegeven met het bord G13. Verder verklaart de ambtenaar dat hij het voertuig van de betrokkene vanaf de Madepolderweg het fietspad op zag rijden en hierbij tevens fietsers hinderde. De stelling van de gemachtigde dat de betrokkene de gehele procedure consistent heeft aangevoerd dat zij haar navigatie heeft gevolgd die was ingesteld op de Madesteinweg 36, brengt naar het oordeel van het hof, mede gelet op het voorgaande, niet mee dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Daarbij komt dat de betrokkene bij de staandehouding heeft verklaard dat zij de door haar gevolgde route al enigszins vreemd vond. Het hof merkt hierbij nog op dat de gemachtigde noch de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat de betrokkene een bezoeker of een bewoner was van een van de percelen gelegen op de Madesteinweg. De gemachtigde heeft in zijn nadere toelichting zelfs aangegeven dat de betrokkene niet bekend is in de regio. Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
9. Ten aanzien van de grond dat de ambtenaar excepties had behoren uit te sluiten, overweegt het hof als volgt. De gemachtigde heeft het oog op het (niet gepubliceerde) arrest van het hof Leeuwarden van 9 mei 2011 met registratienummer WAHV 200.075.521. Anders dan de gemachtigde kennelijk meent, kan uit het hiervoor vermelde arrest van het hof niet worden afgeleid dat een ambtenaar in het zaakoverzicht moet aangeven dat zich geen excepties hebben voorgedaan. In genoemde zaak is de verbalisant door de officier van justitie expliciet gevraagd om aan te geven of bepaalde (uitdrukkelijk genoemde) excepties zich hebben voorgedaan, maar is de verbalisant daar in zijn aanvullend proces-verbaal niet op in gegaan. In dat concrete geval bood de verklaring van de verbalisant onvoldoende basis voor de vaststelling dat de gedraging was verricht. In het onderhavige geval is echter geen sprake van een vergelijkbare situatie.
10. De kantonrechter heeft het beroep derhalve terecht ongegrond verklaard. Het hof zal die beslissing dan ook bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek om vergoeding van proceskosten afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om een vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Reuver als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.