De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €250 wegens doorrijden bij een rood verkeerslicht op 20 november 2021 in Leiden. De kantonrechter matigde deze sanctie tot €140,63 vanwege schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn.
De betrokkene betwistte de gedraging en voerde aan dat de ambtenaar zich had vergist en onwaarheden had verteld in een andere zaak. Het hof oordeelde echter dat deze andere zaak geen aanleiding gaf om de verklaring van de ambtenaar in deze zaak te betwijfelen en stelde vast dat de gedraging had plaatsgevonden.
Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat dit niet tijdig bij de kantonrechter was ingediend. Hoewel de betrokkene in hoger beroep wel om vergoeding vroeg, werd dit niet nader onderbouwd en waren er geen reiskosten omdat de zitting op zijn verzoek in zijn woonplaats was gehouden.
Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.