ECLI:NL:GHARL:2024:6779

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 november 2024
Publicatiedatum
5 november 2024
Zaaknummer
Wahv 200.343.096
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging matiging sanctie door kantonrechter bij doorrijden rood verkeerslicht

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €250 wegens doorrijden bij een rood verkeerslicht op 20 november 2021 in Leiden. De kantonrechter matigde deze sanctie tot €140,63 vanwege schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn.

De betrokkene betwistte de gedraging en voerde aan dat de ambtenaar zich had vergist en onwaarheden had verteld in een andere zaak. Het hof oordeelde echter dat deze andere zaak geen aanleiding gaf om de verklaring van de ambtenaar in deze zaak te betwijfelen en stelde vast dat de gedraging had plaatsgevonden.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat dit niet tijdig bij de kantonrechter was ingediend. Hoewel de betrokkene in hoger beroep wel om vergoeding vroeg, werd dit niet nader onderbouwd en waren er geen reiskosten omdat de zitting op zijn verzoek in zijn woonplaats was gehouden.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de matiging van de sanctie en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.343.096/01
CJIB-nummer
: 245832057
Uitspraak d.d.
: 5 november 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 5 juni 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 140,63.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 november 2021 om 03.09 uur op de Plesmanlaan in Leiden met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd, omdat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden en de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
3. De betrokkene ontkent de gedraging. Hij stelt dat kantonrechter voorbij gaat aan dat de betrokkene heeft aangevoerd dat de betreffende ambtenaar zich vergist in de constatering en daarom een inschattingsfout heeft gemaakt. In de zaak met nummer Wahv 200.343.082/01 heeft de ambtenaar zeer waarschijnlijk gelogen over het verkrijgen van de gegevens van de betrokkene. De ambtenaar heeft zeer waarschijnlijk die beschikking uitgeschreven op naam van de verkeerde persoon. Daarom is de betrokkene van mening dat ook in deze zaak en een andere zaak van de betrokkene sprake is van onwaarheden en verkeerde waarnemingen op basis waarvan een besluit is genomen. Daarnaast voert de betrokkene aan dat hij onkosten en verletkosten heeft gemaakt. Hij vroeg om een vergoeding maar daar is aan voorbijgegaan. Na de zitting heeft hij er wel om gevraagd, maar dit werd geweigerd. Daarom wil hij deze graag alsnog claimen.
4. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat deze ongeveer 5,00 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. (…)
Personalia conform: Rijbewijs [nummer] (…)
Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: Ik was even afwezig/abuis.”
6. Het hof ziet geen aanleiding om aan de verklaring van de ambtenaar te twijfelen. In de zaak waar de betrokkene naar verwijst heeft de kantonrechter de inleidende beschikking vernietigd. Dat in die zaak mogelijk een vergissing is gemaakt met betrekking tot de persoonsgegevens, geeft het hof geen aanleiding om de verklaring in deze zaak als onjuist of ongeloofwaardig terzijde te schuiven. Die andere beschikking zag op een andere gedraging, op een andere tijd en plaats en geconstateerd door een andere ambtenaar. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht.
7. Met betrekking tot het verzoek om een proceskostenvergoeding stelt het hof vast dat de kantonrechter het bedrag van de sanctie heeft gematigd. Daarmee is de betrokkene deels in het gelijk gesteld en in beginsel komen de proceskosten dan voor vergoeding in aanmerking. Een betrokkene moet daar dan wel om verzoeken voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten en uitspraak wordt gedaan. Uit het dossier blijkt niet dat de betrokkene bij de kantonrechter heeft verzocht om een vergoeding van kosten.
8. In hoger beroep verzoekt de betrokkene wel uitdrukkelijk om een vergoeding van kosten, maar stelt en onderbouwt verder niet welke kosten hij heeft gemaakt. Daar merkt het hof nog bij op dat uit het dossier blijkt dat de zaak op verzoek van de betrokkene is behandeld door de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, in plaats van de rechtbank Den Haag. De betrokkene had daar om verzocht zodat hij geen kosten hoefde te maken voor een autorit, maar op de fiets naar de rechtbank in zijn woonplaats kon gaan en minder tijd kwijt zou zijn. Er zijn dus geen reiskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
9. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.