ECLI:NL:GHARL:2024:6728

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 oktober 2024
Publicatiedatum
4 november 2024
Zaaknummer
200.341.288/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 lid 1 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen

De moeder van twee minderjarige kinderen was sinds 9 maart 2022 onder toezicht gesteld. De kinderrechter verlengde op 9 februari 2024 deze ondertoezichtstelling tot 22 februari 2025. De moeder ging in hoger beroep tegen deze verlenging en verzocht het hof de beschikking te vernietigen en het verzoek tot verlenging af te wijzen.

Het hof heeft het dossier en de zitting beoordeeld, waarbij de moeder erkende dat er op diverse ontwikkelingsgebieden winst te behalen was, maar zij vond dat de zorgen niet zodanig waren dat een ondertoezichtstelling gerechtvaardigd was. De moeder accepteert hulp in een vrijwillig kader en wil deze zelf organiseren. De gecertificeerde instelling (GI) stelde dat er meer zorgen zijn dan alleen communicatieproblemen, waaronder trauma’s en depressies van de moeder die haar draagkracht beïnvloeden.

Het hof oordeelde dat de bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen niet meer ernstig en concreet genoeg is om de ondertoezichtstelling te verlengen. De zorgen over taal- en spraakontwikkeling worden erkend en de moeder wil deze hulp vrijwillig voortzetten. De bemoeienis van de GI heeft tot een vertrouwensbreuk geleid, waardoor de hulp niet effectief is. Het hof vernietigt daarom de verlenging van de ondertoezichtstelling met ingang van 1 december 2024 en wijst het verzoek tot verlenging vanaf die datum af, met het advies dat de moeder de hulpverlening vrijwillig voortzet met een warme overdracht naar het wijkteam.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 1 december 2024 en daarna beëindigd; het verzoek tot verlenging vanaf die datum wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.341.288/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 230939)
beschikking van 29 oktober 2024
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. M.J. Flach te Groningen,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
gevestigd Amsterdam,
verweerster in hoger beroep.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 9 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 8 mei 2024;
- een brief van de raad van 23 mei 2024;
- een journaalbericht namens de moeder van 29 mei 2024 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 26 juni 2024 met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 9 oktober 2024 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat en een gebarentolk. Namens de GI zijn twee vertegenwoordigers verschenen.

3.De feiten

3.1
De moeder is in 2008 vanuit Eritrea met haar moeder (oma moederszijde) naar Nederland gekomen. Zij is de moeder van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2017; en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2020.
3.2
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij de moeder, die het eenhoofdig ouderlijk gezag over hen heeft. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben verschillende vaders, die niet betrokken zijn in het leven van de kinderen. Op 12 juli 2024 is de moeder bevallen van haar derde kind, [de minderjarige3] .
3.3
Sinds 9 maart 2022 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld.
3.4
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 9 februari 2024 heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verlengd tot 22 februari 2025.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder komt met ongenummerde grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] alsnog af te wijzen.
4.2
De GI voert verweer en verzoekt het hof het door de moeder ingestelde beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
De moeder vindt dat de rechtbank ten onrechte de door de GI geschetste zorgen over de opvoedsituatie en haar persoonlijke problematiek onverkort heeft overgenomen. Volgens haar zou onderscheid moeten worden gemaakt tussen problematiek uit het verleden en problematiek die nog actueel is. De moeder erkent dat er op de verschillende ontwikkelingsgebieden winst te behalen is, maar de zorgen zijn wat haar betreft niet zodanig dat zij een ondertoezichtstelling rechtvaardigen. De moeder accepteert bovendien hulp in het vrijwillig kader en is in staat deze hulp zelf te organiseren. Ter zitting heeft de moeder verteld dat zij zich gediscrimineerd voelt, omdat de GI (steeds) benadrukt dat de kinderen als gevolg van haar doofheid veel tekortkomen.
5.3
Volgens de GI zijn er meer zorgen dan alleen de communicatie tussen de moeder en de kinderen. De GI is bezorgd dat de trauma’s uit het verleden, depressies en emotieregulatie problemen van de moeder impact hebben op haar draagkracht. De samenwerking tussen de GI en de moeder komt niet goed van de grond, omdat de moeder de regie wil in het regelen van een gebarentolk of omdat zij geregeld afspraken afzegt, aldus de GI. Hierdoor krijgt de GI onvoldoende zicht op de situatie.
5.4
Het hof overweegt dat het gerechtvaardigd is om in te grijpen in een gezinssysteem door middel van een ondertoezichtstelling, indien sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en de daarvoor benodigde hulpverlening in een vrijwillig kader onvoldoende wordt geaccepteerd. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting maakt het hof op dat de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen op dit moment niet meer dusdanig ernstig en concreet is dat een ondertoezichtstelling langer gerechtvaardigd is. De zorgen over de taal- en spraakontwikkeling van [de minderjarige1] en signalen (uit het verleden) over de schoolgang van de kinderen worden door de moeder erkend. De moeder ziet het nut in van de logopedie en het logeerhuis voor [de minderjarige1] , en wil dit ook in een vrijwillig kader voortzetten. De moeder heeft verteld dat zij haar leven op orde heeft, dat zij inziet dat ze hulp nodig heeft, maar dat zij dit zelfstandig wil en kan organiseren.
5.5
Voor zover de GI heeft gesteld dat het niet lukt om zicht te krijgen op de opvoedsituatie bij de moeder, overweegt het hof dat niet is uitgesloten dat er een dusdanige hoeveelheid hulpverleners en observanten betrokken is, dat het de moeder soms te veel wordt. Daar komt bij dat de wijze waarop de GI de doofheid van de moeder lijkt te benaderen, voor haar tot een vertrouwensbreuk heeft geleid. Hierdoor lijkt de bemoeienis van de GI averechts te werken en niet het gewenste effect te bereiken.
5.6
Het hof geeft de moeder mee dat de zorgen over de ontwikkeling van de kinderen op dit moment misschien niet meer zodanig zijn dat deze een ondertoezichtstelling rechtvaardigen, maar dat de situatie van haar en de kinderen kwetsbaar blijft. De moeder heeft als alleenstaande ouder van nu drie jonge kinderen, mede gelet op haar verleden en haar doofheid de nodige uitdagingen in de opvoeding. Het is daarom in het belang van de kinderen dat de hulpverlening betrokken blijft. Het hof wil de moeder echter de kans geven om de noodzakelijke hulp zelf, in een vrijwillig kader, te organiseren en daarover regie te voeren. Om dit te kunnen borgen, is een ‘warme overdracht’ nodig van de GI naar het wijkteam van de gemeente. Het hof zal daarom de bestreden beschikking met ingang van 1 december 2024 vernietigen, zodat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vanaf deze datum eindigt.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen met ingang van 1 december 2024 en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 9 februari 2024, voor zover de daarin uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling zich uitstrekt over de periode tot 1 december 2024;
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 9 februari 2024, voor zover de daarin uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling zich uitstrekt over de periode vanaf 1 december 2024 en (in zoverre) opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] af voor zover dat verzoek betrekking heeft op de periode vanaf 1 december 2024;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, J.G. Knot en G.B.A. Brummer, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 29 oktober 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.