ECLI:NL:GHARL:2024:6514

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
22 oktober 2024
Zaaknummer
200.343.949
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 1:255 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling minderjarige ondanks opheffing later

De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter die een minderjarige onder toezicht stelde voor de periode van 2 mei 2024 tot 2 mei 2025. De ouders betwistten deze maatregel en verzochten het hof de beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad voor de kinderbescherming af te wijzen.

Het hof overwoog dat de ouders een rechtens relevant belang hebben om de rechtmatigheid van de ondertoezichtstelling over de periode te laten toetsen, ondanks dat de maatregel op 6 september 2024 is opgeheven. Uit de feiten bleek dat er langdurige en ernstige zorgen waren over de minderjarige, onder meer vanwege het niet nakomen van medische controles, schoolverzuim met instemming van de ouders, en het ontbreken van medewerking aan autoriteiten. De minderjarige had bovendien in een tehuis in Spanje meerdere incidenten van seksuele aard meegemaakt.

De raad had een onderzoek ingesteld, maar kreeg geen volledige medewerking van de ouders, die ook niet waren ingeschreven in de basisregistratie personen en daardoor moeilijk te traceren waren. De ouders leverden voorafgaand aan de zitting informatie aan, maar deze was onvoldoende om de zorgen weg te nemen. Het hof oordeelde dat de ondertoezichtstelling terecht was opgelegd en dat het feit dat de maatregel later is opgeheven, niet betekent dat de periode daarvoor onrechtmatig was.

Daarom heeft het hof de beschikking van de kinderrechter van 2 mei 2024 bekrachtigd, waarmee de ondertoezichtstelling voor de betreffende periode wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van de minderjarige over de periode 2 mei tot 6 september 2024.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.343.949
(zaaknummer rechtbank Gelderland 434386)
beschikking van 22 oktober 2024
inzake
[verzoekster],
en
[verzoeker],
beiden wonende op een geheim adres,
verzoekers in hoger beroep,
verder te noemen: de ouders,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd te Groningen,
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, op 2 mei 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer en op schrift gesteld op 16 mei 2024 (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 juli 2024;
- de brief van de GI van 21 augustus 2024 met producties;
- de brief van de GI van 30 augustus 2024;
- een journaalbericht van mr. De Gruijl van 11 september 2024.
2.2
De minderjarige [de minderjarige] heeft via een mailbericht van de vader van 9 september 2024 zijn mening over het verzoek kenbaar gemaakt aan het hof.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 12 september 2024 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de raad.

3.De feiten

3.1
Tijdens de relatie van de ouders is [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) geboren [in] 2011.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de ouders.
3.2
In de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 6 september 2024 is met ingang van die datum de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] opgeheven.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld voor de termijn van een jaar (tot 2 mei 2025).
4.2
De ouders zijn met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad alsnog af te wijzen.
4.3
De raad voert op de mondelinge behandeling verweer.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is op 6 september 2024 opgeheven. Gelet op het door artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van hun gezinsleven, hebben de ouders een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de ondertoezichtstelling over de periode van 2 mei 2024 tot 6 september 2024 te laten toetsen en behoort aan hen niet hun procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.
5.2
In artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek staat dat de rechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.3
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter [de minderjarige] op goede gronden onder toezicht heeft gesteld. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
De raad heeft in oktober 2022 een zorgmelding ontvangen van de Nederlandse Centrale autoriteit over [de minderjarige] . Uit de zorgmelding blijkt dat er langdurig de nodige zorgen waren over [de minderjarige] . [de minderjarige] ging niet naar medische controles en bleef ongerechtvaardigd en herhaaldelijk – met instemming van zijn ouders – weg van school. De ouders werkten niet samen met de autoriteiten maar verzetten zich tegen elke vorm van contact met de Spaanse kinderbescherming, de regionale sociale diensten of het schoolcentrum. [de minderjarige] was niet zichtbaar. De ouders ontkrachten de zorgen niet.
In de tijd dat [de minderjarige] in Spanje uit huis was geplaatst hebben observaties plaatsgevonden. Uit de verslaglegging daarvan blijkt onder meer dat er zorgen zijn over de sociale en communicatieve vaardigheden van [de minderjarige] en over zijn seksuele ontwikkeling. [de minderjarige] heeft in het tehuis meerdere incidenten van seksuele aard meegemaakt met andere kinderen. Tijdens de periode dat [de minderjarige] uit huis was geplaatst weigerden de ouders om telefonisch contact met [de minderjarige] te hebben en zij hebben hem evenmin bezocht. De ouders hebben met die keuze hun eigen belang zwaarder laten wegen dan het belang van [de minderjarige] om contact te onderhouden met zijn ouders in een voor hem ook heel moeilijke situatie.
5.4
Naar aanleiding van deze ernstige zorgen over [de minderjarige] is de raad terecht een onderzoek gestart. De raad heeft immers tot taak kinderen te beschermen. Tijdens het onderzoek werd het door de Spaanse autoriteiten waargenomen patroon zichtbaar waarbij de ouders geen dan wel onvoldoende medewerking verleenden – waarbij zij slechts wilden communiceren via een derde – en geen inzicht wilden geven in hun situatie. De raad heeft meerdere pogingen ondernomen om rechtstreeks in contact te komen met de ouders en om inzicht te krijgen in de situatie van [de minderjarige] en zijn ouders. In de periode dat het raadsonderzoek is uitgevoerd is er een eenmalig gesprek geweest met de ouders. De ouders hebben geen expliciete toestemming aan de raad gegeven om informanten te benaderen. De ouders waren niet ingeschreven in de basisregistratie personen tijdens het raadsonderzoek en zij bleven daardoor ‘onder de radar’. Het is de raad ook niet gelukt om [de minderjarige] te spreken. Doordat dit niet lukte en de raad niet over voldoende informatie kon beschikken, werden de hiervoor genoemde zorgen niet weggenomen.
5.5
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij de kinderrechter was er door de ouders informatie aangeleverd over [de minderjarige] maar daaruit kon onvoldoende worden afgeleid dat de geconstateerde zorgen niet meer bestonden of in het vrijwillig kader voldoende werden afgewend. Er was nog veel onduidelijkheid. Ten eerste over het verlenen van medewerking door de ouders aan passende hulpverlening voor [de minderjarige] . Er was homeopathische hulp ingeschakeld, maar het is de vraag of dit passend was gezien de ernstige zorgen over [de minderjarige] en gelet ook op hetgeen hij in Spanje had meegemaakt. Ten tweede over de status van het onderwijs dat [de minderjarige] volgde. Ten derde over het al dan niet aanwezig zijn van een sociaal netwerk van het gezin. Tenslotte bleef ook onduidelijk of, en zo ja hoe, het contact tussen [de minderjarige] en zijn broer was. Voor zover de ouders zich op het standpunt stellen dat zij de zorgen over [de minderjarige] hebben weggenomen door het overleggen van de update van de heer [naam1] (van 4 december 2023) is het hof van oordeel dat deze update een weergave is van de stellingen van de ouders en geen onderbouwde betwisting van de geconstateerde zorgen.
De ondertoezichtstelling is dus terecht uitgesproken. Aangezien de jeugdbeschermer actief aan de slag is gegaan met de doelen die in het kader van de ondertoezichtstelling zijn opgesteld en recent tot de conclusie is gekomen dat deze doelen zijn behaald, is de ondertoezichtstelling inmiddels op verzoek van de GI opgeheven.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 2 mei 2024.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Hermsen, M.P. den Hollander en H. Phaff, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 22 oktober 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.