Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekers in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter die een minderjarige onder toezicht stelde voor de periode van 2 mei 2024 tot 2 mei 2025. De ouders betwistten deze maatregel en verzochten het hof de beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad voor de kinderbescherming af te wijzen.
Het hof overwoog dat de ouders een rechtens relevant belang hebben om de rechtmatigheid van de ondertoezichtstelling over de periode te laten toetsen, ondanks dat de maatregel op 6 september 2024 is opgeheven. Uit de feiten bleek dat er langdurige en ernstige zorgen waren over de minderjarige, onder meer vanwege het niet nakomen van medische controles, schoolverzuim met instemming van de ouders, en het ontbreken van medewerking aan autoriteiten. De minderjarige had bovendien in een tehuis in Spanje meerdere incidenten van seksuele aard meegemaakt.
De raad had een onderzoek ingesteld, maar kreeg geen volledige medewerking van de ouders, die ook niet waren ingeschreven in de basisregistratie personen en daardoor moeilijk te traceren waren. De ouders leverden voorafgaand aan de zitting informatie aan, maar deze was onvoldoende om de zorgen weg te nemen. Het hof oordeelde dat de ondertoezichtstelling terecht was opgelegd en dat het feit dat de maatregel later is opgeheven, niet betekent dat de periode daarvoor onrechtmatig was.
Daarom heeft het hof de beschikking van de kinderrechter van 2 mei 2024 bekrachtigd, waarmee de ondertoezichtstelling voor de betreffende periode wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van de minderjarige over de periode 2 mei tot 6 september 2024.