De zaak betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2015, die sinds augustus 2022 onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI). De moeder en vader hebben gezamenlijk gezag, maar de minderjarige verblijft sinds de uithuisplaatsing bij een jeugdhulpaanbieder. De rechtbank verlengde op 17 mei 2024 de machtiging tot uithuisplaatsing tot 19 augustus 2024 en onderschreef het perspectiefbesluit van de GI.
De moeder ging in hoger beroep tegen de verlenging en betwistte met name het oordeel van de rechtbank over het perspectiefbesluit, dat inhoudt dat de minderjarige niet meer bij de moeder zal wonen. De GI stelde dat het perspectiefbesluit noodzakelijk was voor de continuïteit van de behandeling en ontwikkeling van de minderjarige. Het hof oordeelde dat de moeder wel ontvankelijk was in haar grief tegen de verlenging van de machtiging, maar dat het perspectiefbesluit zelf niet als zelfstandig besluit door de rechter kan worden getoetst.
Het hof bevestigde dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, gelet op haar gedragsproblemen en onveilige thuissituatie. Het hof benadrukte dat het perspectiefbesluit geen verandering brengt in de verplichting om te werken aan thuisplaatsing en dat verdere stappen zoals gezagsbeëindiging via de raad voor de kinderbescherming moeten worden onderzocht. De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd.