Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 27 september 2024 besloten op de vordering van de advocaat-generaal tot het geven van een bevel tot gevangenneming van de verdachte. De verdachte was eerder door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor medeplichtigheid aan bedrieglijke bankbreuk en onttrekking aan beslag, met een gevangenisstraf van achttien maanden. De verdachte heeft hiertegen hoger beroep ingesteld op 10 juli 2024.
Het hof constateerde ernstige bezwaren tegen de verdachte, die sinds 2014 met haar echtgenoot naar het buitenland is vertrokken en sindsdien niet is verschenen op verzoeken van curatoren, rechter-commissarissen en de FIOD. Ook was zij niet aanwezig bij diverse zittingen in haar zaken. Dit gedrag wekt de vrees dat zij zich aan berechting in Nederland zal onttrekken, oftewel vluchtgevaar bestaat.
Het hof oordeelde dat aan de wettelijke vereisten van artikel 75, lid 2, Wetboek van Strafvordering is voldaan en dat het bevel tot gevangenneming gerechtvaardigd is. Het hof verwierp het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie door persoonlijke omstandigheden of de ouderdom van de zaak niet tot deze vordering had kunnen overgaan. De voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in een huis van bewaring of een andere wettige plaats van detentie in Nederland voor een termijn van negentig dagen.