Verzoeker heeft in 2012 op eigen verzoek beschermingsbewind gekregen vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand die hem belemmerde zijn geldzaken te beheren. Dit bewind werd ingesteld door de kantonrechter in Utrecht. In 2023 verzocht verzoeker om opheffing van het bewind, maar dit verzoek werd in januari 2024 door de kantonrechter afgewezen.
Verzoeker ging in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens de procedure bleek dat zijn situatie aanzienlijk is verbeterd: hij is schuldenvrij, werkt als [functie] bij het Leger des Heils en heeft met succes een budgetcursus afgerond. Tevens kan hij bij financiële vragen ondersteuning krijgen van de Raad en Daad balie van het Leger des Heils. De bewindvoerder stemde in met de opheffing en liet de beslissing aan het hof over.
Het hof oordeelt dat de noodzaak voor het bewind niet langer bestaat en vernietigt het vonnis van de kantonrechter. Het beschermingsbewind wordt opgeheven met ingang van 10 oktober 2024. Hiermee kan verzoeker weer zelfstandig over zijn goederen beschikken, eventueel met externe ondersteuning.