Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
raad voor de kinderbescherming,
verder te noemen: de moeder,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 8 oktober 2024 uitspraak gedaan in hoger beroep over de ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen en het gezag over hen. De kinderen zijn sinds oktober 2022 onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling (GI). De rechtbank had de ondertoezichtstelling verlengd en het gezamenlijk gezag gehandhaafd, maar het hof heeft het gezamenlijk gezag vernietigd en de moeder het eenhoofdig gezag toegekend.
De vader kwam in hoger beroep met twee grieven: het niet gelasten van een contra-expertise en de gronden voor de ondertoezichtstelling. Het hof oordeelde dat de ondertoezichtstelling terecht is gegeven op grond van artikel 1:255 BW Pro, omdat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en de ouders niet in staat zijn om de noodzakelijke zorg te bieden. De vader heeft een standvastige en conflictueuze houding die samenwerking belemmert.
Het verzoek van de vader tot contra-expertise werd afgewezen omdat dit niet zou bijdragen aan het wegnemen van de zorgen en het belang van de kinderen zou schaden door hen verder in de ouderlijke strijd te betrekken. Het hof benadrukte dat de moeder en de GI de regie hebben en dat de vader zonder gezag meer op de achtergrond zal staan om een constructieve hulpverlening mogelijk te maken.
De ondertoezichtstelling blijft van kracht tot 12 april 2025 en het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en gericht op het waarborgen van een veilige opvoedsituatie en het belang van de kinderen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en wijst het verzoek tot contra-expertise af, terwijl het eenhoofdig gezag aan de moeder toewijst.