De minderjarige, geboren in 2022, is uit huis geplaatst en staat onder toezicht van de gecertificeerde instelling (GI). De moeder heeft het gezag en woont sinds mei 2024 niet meer met de minderjarige samen, die in een pleeggezin verblijft. De GI heeft de kinderrechter verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden, welke is verleend.
De moeder is het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep ingesteld. Zij verzocht het hof de machtiging ongedaan te maken en de GI te verplichten onderzoek te doen naar woonmogelijkheden in haar woonplaats en terugplaatsing van de minderjarige bij haar. Het hof heeft de stukken bestudeerd en een mondelinge behandeling gehouden.
Het hof oordeelt dat de machtiging terecht is verleend omdat de moeder eerder afspraken niet nakwam en onvoldoende stabiele en veilige verzorging kan bieden. Hoewel de moeder positieve stappen heeft gezet, zoals het verbreken van een problematische relatie en het starten van een opleiding, is het te vroeg om de minderjarige terug te plaatsen. Het verzoek tot onderzoek naar woonmogelijkheden en terugplaatsing wordt afgewezen wegens gebrek aan wettelijke grondslag in hoger beroep.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter en wijst het hoger beroep af. Het uitgangspunt blijft dat er wordt toegewerkt naar terugplaatsing zodra de omstandigheden dit toelaten.