ECLI:NL:GHARL:2024:5681

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 september 2024
Publicatiedatum
6 september 2024
Zaaknummer
21-002591-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing rechtbank en afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens vrijspraak witwassen

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 4 september 2024 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 11 mei 2023. De rechtbank had de betrokkene veroordeeld tot betaling van een bedrag van €20.620,- als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit witwassen.

Het hof heeft echter in het hoger beroep de eerdere vrijspraak van de betrokkene van het witwassen bevestigd, waardoor de grondslag voor de ontnemingsvordering ontbreekt. De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarom afgewezen.

De beslissing van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt opnieuw beoordeeld, waarbij het hof de vordering tot ontneming afwijst. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van het hof, waarbij de betrokkene en haar raadsvrouw hun standpunten hebben toegelicht.

De uitspraak bevestigt dat zonder een veroordeling voor het onderliggende strafbare feit, de ontnemingsvordering niet kan worden toegewezen. Het vonnis is uitgesproken in aanwezigheid van de griffier en de raadsheren.

Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen vanwege vrijspraak van witwassen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002591-23
Uitspraak d.d.: 4 september 2024
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 11 mei 2023 met parketnummer
18-107052-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
wonende te [adres]

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Deze beslissing is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 augustus 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 20.620,00, en oplegging aan de betrokkene van een betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van datzelfde bedrag.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de betrokkene en haar raadsvrouw, mr. K.C. van de Wijngaart, naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

De rechtbank heeft bij beslissing van 11 mei 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, beslist op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is dat voordeel dat de betrokkene heeft genoten als gevolg van witwassen, alsmede de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op een bedrag van
€ 20.620,00.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat deze behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 4 september 2024 (parketnummer 21-002590-23) vrijgesproken van het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde witwassen.
De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door
mr. H.J. Deuring, voorzitter,
mr. J. Hielkema en mr. P.S. Bakker, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.A.G. van Essen, griffier,
en op 4 september 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.