ECLI:NL:GHARL:2024:5374

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 augustus 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
Wahv 200.337.890/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 RVV 1990Art. 5 WahvArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor doorrijden rood verkeerslicht door bromfietser zonder vrijbord rechtsaf

De betrokkene werd administratief gesanctioneerd met een boete van €170 wegens het negeren van een rood verkeerslicht op 18 maart 2022 te Alkmaar met een bromfiets. De kantonrechter had het beroep van de betrokkene gegrond verklaard, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigt nu de sanctie.

De betrokkene voerde aan dat de overtreding niet had plaatsgevonden en dat de ambtenaar de staandehouding niet had verricht, maar het hof oordeelt dat de enkele betwisting onvoldoende is om twijfel te zaaien over de juistheid van de vaststellingen. De ambtenaar had de overtreding via video-opnamen en waarnemingen vastgesteld.

Juridisch oordeelt het hof dat het verkeerslicht ook geldt voor rechtsafslaande bromfietsers indien geen bord is geplaatst dat rechtsaf vrij is, zoals bepaald in artikel 68 RVV Pro 1990. De sanctie is terecht opgelegd aan de kentekenhouder omdat staandehouding vanwege de statische controle en druk stadsverkeer niet mogelijk was, conform artikel 5 Wahv Pro.

Het hof wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af en bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €170 voor doorrijden bij rood verkeerslicht door de bromfietser.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.337.890/01
CJIB-nummer
: 248799041
Uitspraak d.d.
: 22 augustus 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 26 januari 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 19 juli 2024 is nog een e-mailbericht van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 170,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 maart 2022 om 17.17 uur op de Kanaalkade t.h.v. Gedempte Nieuwesloot in Alkmaar met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de verweten gedraging wordt ontkend en merkt op hetgeen in beroep is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen. Het is echter vaste rechtspraak van dit hof dat een enkele betwisting van de gedraging niet leidt tot twijfel aan de gegevens in het dossier en de opmerking eerdere gronden als herhaald en ingelast te beschouwen, niet kan worden aangemerkt als grond.
3. De gemachtigde voert verder aan dat de redenen die de ambtenaar noemt om niet staande te houden geen concrete feiten zijn, maar veronderstellingen omdat woorden worden gebruikt als ‘doorgaans’, ‘veelal’ en ‘in de meeste gevallen’. Dat de ambtenaar met zijn telefoon opnamen heeft gemaakt bevestigt dat niet eens een poging tot staandehouding is gedaan, maar dat het een vooropgezet idee was om daar heimelijk te gaan filmen. Het is niet duidelijk geworden of er verderop nog andere ambtenaren waren die wel konden staandehouden. Er waren geen andere verkeersdeelnemers, dus de ambtenaar kon vrij de rijbaan oprijden en achter de betrokkene aanrijden. Wat de advocaat-generaal heeft gesteld over de positie van de ambtenaar zijn aannames. Daarnaast blijkt uit de foto’s van de gedraging niet dat de gedraging is verricht omdat de betrokkene rechtsaf sloeg en het verkeerslicht daar niet voor geldt.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, stond tijdens een statische roodlichtcontrole opgesteld op de Kanaalkade te Alkmaar met direct zicht op het verkeerslicht ter hoogte van de Gedempte Nieuwesloot.
Omdat het een locatie betreft waar doorgaans meer overtredingen achter elkaar plaatsvinden dan dat kan worden afgehandeld binnen korte tijd en veelal ook door overtreders welke zich sneller en wendbaarder in het stadsverkeer voortbewegen dan in de onopvallende dienstauto waarin ik mij bevond, werd niet overgegaan tot staandehouding. Met name omdat dit in de meeste gevallen onmogelijk of onveilig zou zijn.
Vanwege de hoge intensiteit van overtredingen en verkeer, maakte ik van de overtredingen beeldopnamen met de camera op de mobiele telefoon.
Ik zag dat op betrokkene dag, tijd, datum en locatie het driekleurig verkeerslicht rood licht ging uitstralen. Ik startte de video-opname op het moment dat het verkeerslicht geel licht uitstraalde. Ik zag dat het verkeer stopte voor het rode verkeerslicht en vervolgens stopte ik de video-opname.
Vervolgens zag ik dat er rechts langs het op de rijbaan stilstaande verkeer een scooter naderde en over de stopstreep reed, terwijl het verkeerslicht nog steeds rood licht uitstraalde. Ik startte nogmaals de video-opname, nadat de betrokken snorscooter de stopstreep reeds gepasseerd was. Ik schat dat het verkeerslicht op dat moment al meer dan 6 seconden rood licht uitstraalde. Ik zag dat het kenteken van betrokkene scooter [kenteken] betrof.
Ik zag dat betrokken scooter vervolgens rechts afsloeg en zijn weg op de Gedempte Nieuwesloot vervolgde. De plaatsaanduiding van het driekleurig verkeerslicht was rechts van de rijbaan en had tevens een extra aanwezige lage aanduiding voor de (brom/snor)fietsers, waar betrokken bestuurder duidelijk zicht op had. Dit is ook te zien op de screenshots van de betrokken video-opnamen. (…)
Reden geen staandehouding: statische controle, druk stadsverkeer.”
6. Het dossier bevat twee videostills, waarop te zien is dat iemand zich op de bromfiets van de betrokkene op de fietsstrook naast een rood licht uitstralend verkeerslicht bevindt. Het is een rond licht en op de paal van het verkeerslicht hangt geen bord met “rechtsaf voor (brom)fietsers vrij”.
7. Uit de verklaring van de ambtenaar en de videostills volgt duidelijk dat met het voertuig van de betrokkene het rode verkeerslicht is genegeerd. Op grond van artikel 68, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) geldt het ronde verkeerslicht voor meerdere richtingen, en bij gebrek aan een onderbord als bedoeld in artikel 68, vijfde lid, van het RVV 1990 geldt het verkeerslicht wel degelijk voor (brom)fietsers die rechtsaf slaan. De gedraging wordt dan ook vastgesteld.
8. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
9. Het hof stelt vast dat de ambtenaar zich ter plaatse bevond in een onopvallend dienstvoertuig. Dit brengt mee dat er in beginsel van mag worden uitgegaan dat staandehouding tot de mogelijkheden behoort. De ambtenaar verklaart dat hij de bestuurder niet heeft staandegehouden omdat hij bezig was met een statische verkeerscontrole. In beginsel leent de - voor de mogelijkheid van staandehouding van belang zijnde - keuze van de ambtenaar voor de wijze waarop een verkeerscontrole wordt uitgevoerd zich slechts voor een uiterst marginale toetsing door de rechter.
Dit neemt echter niet weg dat ambtenaren wel inzichtelijk dienen te maken waarom ervoor gekozen is om de verkeerscontrole zodanig vorm te geven dat na de constatering van de gedraging geen staandehouding kan plaatsvinden. Dit is in de onderhavige zaak voldoende toegelicht. De sanctie is dan ook terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
10. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen. Gelet hierop behoeft de aangevoerde grond met betrekking tot het per 1 januari 2024 gewijzigde artikel 13a, tweede lid, van de Wahv geen bespreking meer.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.