ECLI:NL:GHARL:2024:5115

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 augustus 2024
Publicatiedatum
8 augustus 2024
Zaaknummer
Wahv 200.335.973/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 8 WVW 1994Art. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie niet meewerken aan ademonderzoek ondanks una via-beginsel

De betrokkene werd op 13 januari 2022 aangehouden wegens het niet meewerken aan een ademonderzoek na een incident op de A29 bij Den Bommel. De kantonrechter had eerder het beroep van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie van €250,- ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

In hoger beroep voerde de gemachtigde aan dat de betrokkene niet als bestuurder was vastgesteld en dat de sanctie in strijd was met het una via-beginsel, omdat melding werd gemaakt van een strafrechtelijke verdenking naast de administratieve sanctie. Het hof oordeelde dat voldoende bewijs bestond dat de betrokkene de bestuurder was en dat het una via-beginsel niet was geschonden omdat afdoening via verschillende trajecten in dit geval gerechtvaardigd was.

Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De procedurekostenvergoeding werd niet toegekend, waardoor het hof niet inging op de vraag of artikel 13a, derde lid, van de Wahv in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod.

Uitkomst: Het hof bevestigt de sanctie van €250 voor het niet meewerken aan het ademonderzoek en wijst het beroep en verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.335.973/01
CJIB-nummer
: 246989535
Uitspraak d.d.
: 8 augustus 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 29 november 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “niet meewerken aan het voorlopige onderzoek van uitgeademde lucht en/of aanwijzingen in dit kader niet opvolgen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 januari 2022 om 23:46 uur op het knooppunt Hellegatsplein in Den Bommel met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet is verricht. De ambtenaar heeft niet daadwerkelijk geconstateerd dat de betrokkene de bestuurder van het voertuig is geweest. Er waren kennelijk meerdere personen ter plaatse. Op welke wijze de betrokkene als bestuurder van het voertuig is aangewezen, is onvoldoende gebleken. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de inleidende beschikking voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met het una via beginsel. Dat melding is gemaakt van ‘artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet’ is onvoldoende. Er is geen dossier overgelegd en het is niet duidelijk waarom de betrokkene langs twee wegen wordt bestraft.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Op donderdag 13 januari 2022, omstreeks 23:45 uur, kregen wij, verbalisanten [naam1] en [naam2] , de melding om te gaan naar de A29 rechts. Aldaar zou een voertuig tegen de vangrail zijn gereden. Op donderdag 13 januari 2022, omstreeks 23:55 uur, zagen wij dat er meerdere voertuigen op de vluchtstrook stonden. Wij zagen dat één van deze voertuigen een Seat was voorzien van het Nederlands kenteken [kenteken] . Wij zagen dat het voornoemde voertuig schade had aan de rechtervoorzijde van het voertuig. Ook zagen wij dat er bandensporen in de grasstrook voor de vangrail zaten. Vervolgens zagen wij lichte schade aan de vangrail. Vervolgens spraken wij, verbalisanten [naam1] en [naam2] , een collega (het hof vult aan: in) vrije tijd. Wij hoorden dat de collega zei dat hij zag dat het voertuig slingerde. Daarna hoorden wij dat de collega zei dat hij zag dat het voornoemde voertuig tegen de vangrail reed. Verder hoorden wij dat de collega zei dat (het hof vult aan: hij) zag wie de bestuurder was en wees naar een man, die later bleek te zijn genaamd: [de betrokkene] , geboren [in] 2000. Vervolgens vorderde ik, verbalisant [naam2] , een bewijs waaruit de identiteit van [de betrokkene] bleek. Ik zag dat [de betrokkene] mij een Nederlands rijbewijs overhandigde op naam van [de betrokkene] met een goed gelijkende pasfoto. Wij, verbalisanten [naam1] en [naam2] , roken een sterke alcohollucht bij [de betrokkene] . Vervolgens vorderde ik, [naam1] , de medewerking aan een blaastest. Wij, verbalisanten, [naam1] en [naam2] , hoorden dat [de betrokkene] zei dat hij hier niet aan mee wilde werken. Ik, [naam1] , zei tegen [de betrokkene] dat hij voor het weigeren een proces-verbaal kreeg. Vervolgens hielden wij, verbalisanten [naam1] en [naam2] , de verdachte [de betrokkene] aan op verdenking van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet.
Verklaring betrokkene: Heroïne is in het buitenland duurder.”
5. De advocaat-generaal heeft een aanvullend proces-verbaal van 14 januari 2022 overgelegd. Hierin wordt het volgende verklaard:
“Op donderdag 13 januari 2022, omstreeks 23.40 uur, reed ik, verbalisant [naam3] , in eigen tijd in mijn privévoertuig op de autosnelweg A29 (…).
Op donderdag 13 januari 2022, omstreeks 23.40 uur reed ik op rijstrook 1 ter hoogte van hectometerpaal 97.7R. (…). Ik zag dat er voor mij een zwarte auto reed. Ik moest abrupt remmen omdat ik zag dat dit voertuig erg langzaam reed en over beide rijstroken slingerde. Ik zag dat dit voertuig een zwarte Seat Ibiza betrof, met kenteken [kenteken] . Ik bleef achter dit voertuig rijden met de gevarenlichten aan. Ik had op dat moment zelf een snelheid van tussen de 40 en 50 km/u. (…).
Ik zag dat dit voertuig ter hoogte van hectometerpaal 98.3-E tegen de vangrail aan de rechterzijde van de rijbaan reed en daarna tot stilstand kwam op de vluchtstrook. Ik reed voorbij de Seat Ibiza en keek naar rechts. Ik zag dat de bestuurder, naar later bleek [de betrokkene] , geboren [in] 2000 in [woonplaats] , verschrikt en met grote ogen om zich heen keek. Ik parkeerde mijn voertuig voor de Seat Ibiza en stapte uit. Ik zag dat [de betrokkene] uitstapte en dat er niemand anders in zijn voertuig aanwezig was. (…). Ik zag dat [de betrokkene] weer wilde instappen in zijn voertuig. Ik besloot bij zijn deur te gaan staan omdat ik het niet veilig vond dat hij weer zou gaan rijden, gezien de staat waar hij zich in bevond. Ik zei tegen [de betrokkene] dat dat mij niet verstandig leek om te gaan rijden als hij had gedronken. Ik hoorde dat hij hierop reageerde en zei dat hij niet gereden had, maar dat een vriend reed en dat die vriend over de vangrail het weiland in was gerend. Ik zag dat hij opeens zijn autosleutel aan mij gaf. Ik hoorde dat hij zei dat hij alleen maar sigaretten uit de auto wilde pakken en dat hij het vervelend vond dat ik met hem meeliep, of woorden van gelijke strekking. Kort hierna kwamen de ingeschakelde collega’s ter plaatse, gaf ik de autosleutel van de Seat Ibiza aan hen en namen zij de melding over.”
6. De advocaat-generaal heeft verder het in het zaakoverzicht genoemde proces-verbaal voor overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 overgelegd. Ook zijn vier processen-verbaal van diverse later op die nacht geconstateerde overtredingen overgelegd.
7. Het hof ziet in wat de gemachtigde aanvoert geen reden eraan te twijfelen dat de gedraging is verricht. Uit de verklaringen blijkt dat ambtenaar [naam3] de betrokkene heeft zien rijden in het voertuig. Dat er meerdere personen ter plaatse waren, geeft geen reden hieraan te twijfelen. Vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht.
8. Het beroep van de gemachtigde op het una via-beginsel begrijpt het hof zo dat de gemachtigde stelt dat is gehandeld in strijd met de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen (de Aanwijzing). Die Aanwijzing houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Als geconstateerd is dat een persoon op een bepaald moment meerdere overtredingen heeft begaan, wordt aan betrokkene/verdachte een administratieve sanctie opgelegd óf wordt tegen hem een strafbeschikking uitgevaardigd óf proces-verbaal opgemaakt. Afdoening langs één traject is het uitgangspunt om verwarring van procedures te voorkomen. Als wel de strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke weg worden bewandeld, moet daarvan in het proces-verbaal zo concreet mogelijk melding worden gemaakt. Van deze mogelijkheid mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt.”
9. De Aanwijzing verzet zich niet tegen afdoening van verschillende ter gelegenheid van de staandehouding geconstateerde overtredingen via de strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke weg. Dat in de gegevens van het zaakoverzicht slechts is vermeld dat de ambtenaren vervolgens de verdachte aanhielden op verdenking van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geeft het hof geen aanleiding om de inleidende beschikking wegens strijd met de Aanwijzing te vernietigen. Het rijgedrag van de betrokkene is verder zodanig dat afdoening via verschillende trajecten is gerechtvaardigd. De grond treft geen doel.
10. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. Dat brengt mee dat het hof niet toekomt aan de beoordeling van de vraag of artikel 13a, derde lid, van de Wahv, waarin is bepaald dat de uitbetaling van de proceskostenvergoeding dient plaats te vinden op een bankrekening van een betrokkene, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.