De minderjarige, geboren in 2017, is uit huis geplaatst en verblijft sinds maart 2024 bij haar vader. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht spoedig om machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader vanwege ernstige ziekte van de pleegmoeder en de onmogelijkheid voor de moeder om de noodzakelijke hulpverlening te accepteren.
De kinderrechter verleende op 21 maart 2024 een machtiging tot uithuisplaatsing voor vier weken en op 4 april 2024 een opvolgende machtiging voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 6 december 2024. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissingen en verzocht om afwijzing of verkorting van de termijn.
Het hof oordeelt dat de machtigingen noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, die ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De moeder werkt niet constructief mee en accepteert geen hulpverlening, waardoor een thuisplaatsing nog niet mogelijk is. Het hof bekrachtigt de beslissingen van de kinderrechter en wijst het verzoek tot verkorting van de termijn af.