ECLI:NL:GHARL:2024:490

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 januari 2024
Publicatiedatum
22 januari 2024
Zaaknummer
Wahv 200.328.829
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, derde lid Besluit proceskosten bestuursrechtArtikel 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking door rood licht rijden wegens onvoldoende bewijs

Betrokkene werd bij beschikking gesanctioneerd met een boete van €160 voor het door rood licht rijden op 16 juni 2021 in Gouda met een bromfiets. De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigt deze beslissing.

De ambtenaar die de overtreding constateerde had geen rechtstreeks zicht op het verkeerslicht van de bestuurder en heeft de werking van de verkeerslichtinstallatie niet onderzocht. Hoewel de ambtenaar zelf al enkele seconden groen licht had en ander verkeer stil stond, is dat onvoldoende om met zekerheid vast te stellen dat betrokkene door rood reed.

Het dossier bevat verklaringen van de ambtenaar over de situatie en het gedrag van de bromfiets, maar deze bieden onvoldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. Het hof oordeelt dat de sanctiebeschikking daarom niet in stand kan blijven.

Daarnaast veroordeelt het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene ad €1.780,50. De beslissing van de kantonrechter en de sanctiebeschikking worden vernietigd en het beroep van betrokkene gegrond verklaard.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens door rood licht rijden wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.328.829/01
CJIB-nummer
: 234302034
Uitspraak d.d.
: 22 januari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 28 april 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 juni 2021 om 19.00 uur op de Joubertstraat in Gouda met de bromfiets met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene ontkent de gedraging. Hij voert aan dat de ambtenaar geen rechtstreeks zicht op het verkeerslicht voor de bestuurder van het voertuig van de betrokkene had. De ambtenaar heeft de werking van de verkeerslichten achteraf ook niet gecontroleerd. Dat de ambtenaar zelf groen licht had, betekent niet dat het verkeerslicht voor kruisend verkeer op rood stond. Ook het feit dat andere weggebruikers al tot stilstand waren gekomen, zegt niets. Het komt namelijk voor dat weggebruikers al tot stilstand komen als het verkeerslicht geel uitstraalt. Nu niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat het verkeerslicht van de bestuurder van het voertuig van de betrokkene daadwerkelijk op rood stond, kan de gedraging niet worden vastgesteld.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Wij verbalisanten stonden stil voor het verkeerslicht op de Voorwillenseweg met de Jouberstraat. Wij kregen groen licht. Wij wilden de Joubertstraat oprijden. Waarna we hard in de remmen moesten omdat er vanaf de Joubertstraat een scooter aan kwam rijden. Ook zagen we dat fietsers die over wilden steken, vanaf de Voorwillenseweg in de richting van de Joubertstraat moesten remmen om niet door de scooter aangereden te worden. We zagen dat andere voertuigen die vanaf de Joubertstraat in de richting van de Zuidelijke Zwarteweg stilstonden voor het verkeerslicht. We zagen dat de scooter wegreed in de richting van de Zuidelijke Zwarteweg. Waarna wij achter de scooter aangingen om (naar het hof begrijpt: de bestuurder van) de scooter staande te houden. De scooter ging er vervolgens vandoor. De scooter reed het Steinpad op. Waarna hij een trappetjes afreed en vervolgens ten val kwam. De bestuurder rende vervolgens weg, waarna wij hem met het dienstvoertuig niet meer konden volgen. Waardoor we de bestuurder niet kon staande houden.”
5. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar onder meer verklaart:
“De scooter, voorzien van kenteken [kenteken] , reed door bij een rood verkeerslicht aangezien ons verkeerslicht al enige tijd, twee seconden, op groen stond en al het andere verkeer, waar de scooter vandaan kwam, stilstond.”
6. Uit de verklaringen van de ambtenaar blijkt dat hij niet rechtstreeks zicht had op het verkeerslicht dat de bestuurder van de bromfiets passeerde. Voor het opleggen van deze sanctie is dat ook niet vereist. Wel moet dat wat de ambtenaar over zijn waarneming verklaart, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de bestuurder is doorgereden bij het rode licht. Naar het oordeel van het hof is dat hier niet het geval. Dat de ambtenaar zelf al enkele seconden groen licht had en dat ander verkeer uit de (rij)richting van de bestuurder van de bromfiets bleef staan, is onvoldoende. Het had op de weg van de ambtenaar gelegen om onderzoek te doen naar de (juiste) werking van de verkeersregelinstallatie ten tijde van de gedraging. Dat heeft hij niet gedaan. Het dossier biedt daarmee onvoldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift en het bijwonen van de zitting bij de kantonrechter op 3 juni 2022 dienen in totaal vier punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.780,50 (= (1,5 x € 624,- x 0,5) + (3 x € 875,- x 0,5)).
8. Het bovenstaande leidt tot volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.780,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.