Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
3.De feiten
4.De procedure bij de rechtbank
[de minderjarige] , geboren [in] 2021 te [woonplaats1] ;
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en vader zijn gezamenlijk belast met het gezag over hun in 2021 geboren minderjarige kind. De vader verzocht bij de rechtbank om het hoofdverblijf van het kind bij hem te bepalen en een zorgregeling vast te stellen, wat de rechtbank op 9 januari 2024 toewijst. De moeder verschijnt niet bij de behandeling en wordt later door de rechtbank ook veroordeeld tot ontruiming van de woning.
In hoger beroep verzoekt de moeder via haar Spaanse advocaat, die niet is ingeschreven in Nederland, een voorlopige voorziening. Het hof stelt vast dat deze advocaat niet voldoet aan artikel 16j van de Advocatenwet, omdat hij niet samenwerkt met een in Nederland ingeschreven advocaat. Hierdoor is de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Het hof wijst het verzoek af en veroordeelt de moeder tot betaling van de proceskosten van de vader. Het hof benadrukt dat er in deze procedure geen ruimte is om het gebrek aan bevoegdheid te herstellen, mede vanwege het spoedeisende karakter en de onduidelijkheid van het verzoek.
Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot voorlopige voorziening wegens onbevoegde Spaanse advocaat en veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de vader.