Uitspraak
1.Samenvatting van de beslissing
2.De kern van de zaak
- de moeder met haar advocaat en tolk
- de vader met zijn advocaat en tolk en
- een zittingsvertegenwoordigster van de GI.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De minderjarige is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst bij een netwerkpleeggezin. De kinderrechter had de machtiging tot uithuisplaatsing meerdere malen verlengd, laatstelijk tot 22 juni 2024. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht om opheffing van de uithuisplaatsing.
Het hof toetste de rechtmatigheid van de verlenging aan artikel 8 EVRM Pro en de relevante bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek. Uit het dossier en de mondelinge behandeling bleek dat er zorgen zijn over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige, maar ook dat de omgang met de moeder goed verloopt en de minderjarige de wisseling tussen pleeggezin en moeder belastend vindt.
Het hof stelde vast dat de gecertificeerde instelling onvoldoende had onderbouwd waarom de uithuisplaatsing noodzakelijk bleef en welke concrete stappen de moeder nog moest zetten. Het lopende onderzoek naar de minderjarige kan ook zonder uithuisplaatsing plaatsvinden. Gezien de positieve ontwikkelingen bij moeder en kind en de wens van de minderjarige om bij haar moeder te wonen, oordeelde het hof dat de verlenging niet gerechtvaardigd is.
Daarom vernietigde het hof de beschikking van de kinderrechter en wees het verzoek tot verlenging af. Het hof benadrukte dat bij eventuele verslechtering van de situatie nieuwe maatregelen kunnen worden genomen.
Uitkomst: Het hof vernietigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en wijst het verzoek tot verlenging af wegens onvoldoende noodzaak.