Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2024:4537

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juli 2024
Publicatiedatum
9 juli 2024
Zaaknummer
200.340.424
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging omgangsregeling begeleid bezoek moeder-kinderen tijdens ondertoezichtstelling

De moeder en vader zijn ouders van drie minderjarige kinderen die sinds oktober 2019 onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling (GI). De kinderen zijn in september 2020 uit huis geplaatst en wonen sinds augustus 2021 bij de vader. Het gezamenlijk gezag werd in mei 2022 beëindigd en de vader kreeg eenhoofdig gezag.

De GI stelde een omgangsregeling vast waarbij de moeder eenmaal per acht weken een begeleid bezoek van een uur met de kinderen mag hebben. De moeder verzocht om vernietiging van deze regeling en een ruimere omgangsregeling, stellende dat de GI onvoldoende onderbouwing gaf voor de beperking en begeleiding van de omgang.

Het hof oordeelt dat de GI voldoende heeft aangetoond dat de huidige regeling in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De omgang wordt begeleid om de moeder bij te sturen, waarbij geen groei in haar gedrag wordt gezien. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de kinderrechter en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de omgangsregeling van eenmaal per acht weken een begeleid bezoek van een uur tussen moeder en kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.340.424
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 566543)
beschikking van 9 juli 2024
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de vader],
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: de vader.

1.1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (verder: de kinderrechter), van 24 januari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Die beschikking wordt verder ook ‘de bestreden beschikking’ genoemd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 april 2024, en
  • het standpuntstuk van de GI.
2.2
De hierna nader te noemen [de minderjarige1] heeft in een brief aan het hof geschreven wat hij van de zaak vindt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • namens de moeder haar advocaat, en
  • twee vertegenwoordigers van de GI.
De raad voor de kinderbescherming heeft het hof in een e-mailbericht van 6 juni 2024 laten weten niet naar de mondelinge behandeling te zullen komen. De vader is ook niet naar de mondelinge behandeling gekomen.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2012 in [plaats1] ;
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2015 in [woonplaats2] , en
  • [de minderjarige3] , geboren [in] 2016 in [woonplaats2] .
3.2
De kinderen staan sinds 4 oktober 2019 onder toezicht, eerst onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam en sinds september 2021 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt nog tot 4 april 2025.
3.3
De kinderen zijn op 23 september 2020 met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst, aanvankelijk bij de grootouders van vaderszijde. Sinds augustus 2021 wonen de kinderen bij de vader en zijn partner, in eerste instantie met een machtiging uithuisplaatsing. Bij beschikking van 30 mei 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en bepaald dat de vader het eenhoofdig gezag over de kinderen uitoefent.
3.4
Op 8 februari 2022 heeft de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven over de omgang tussen haar en de kinderen. Bij (afzonderlijke) beschikking van 30 mei 2022 heeft de kinderrechter het verzoek van de moeder om deze schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en een uitgebreidere omgangsregeling vast te stellen, afgewezen. De moeder is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Bij beschikking van 17 november 2022 heeft het hof deze beschikking van de kinderrechter van 30 mei 2022 bekrachtigd.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter op verzoek van de GI een omgangsregeling vastgesteld tussen de moeder en de kinderen van eenmaal per acht weken een begeleid bezoek voor de duur van één uur. De kinderrechter heeft de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
primairte bepalen dat het verzoek van de GI wordt afgewezen,
subsidiaireen omgangsregeling vast te stellen die het hof in het belang van de kinderen noodzakelijk acht.
4.3
De GI voert verweer en vraagt het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een omgangsregeling vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
5.2
De moeder vindt dat de GI onvoldoende heeft onderbouwd waarom begeleiding en beperking van de omgang tussen haar en de kinderen in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Zij voert aan dat uit het verzoek van de GI niet blijkt dat de GI een meetinstrument heeft gebruikt om te bepalen welke frequentie van de omgang in het belang is van de kinderen. Volgens haar is het begrijpelijk dat de omgangsmomenten tussen haar en de kinderen in september en november 2023 minder soepel zijn verlopen, omdat er lange tijd geen contact tussen hen was geweest en zij daardoor aan elkaar moesten wennen.
5.3
De GI vindt dat de door de kinderrechter vastgestelde omgangregeling op dit moment het maximaal haalbare is voor de kinderen. Volgens haar is begeleiding van de omgang noodzakelijk om de moeder bij te sturen en is een hogere frequentie van de omgang te belastend voor de kinderen. De omgang wordt begeleid door de GI en door een hulpverlener van de reclassering waarmee de moeder een goed contact heeft. De GI voert aan dat iedere omgang met de moeder wordt voor- en nabesproken, waarbij steeds dezelfde (verbeter)punten aan de orde komen. Volgens de GI laat de moeder hierin geen groei zien en toont zij zich niet leerbaar. De moeder blijft het lastig vinden om aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen en zij blijft beslag leggen op de kinderen tijdens de omgang, bijvoorbeeld door aan ze te vragen wanneer ze weer bij haar komen wonen.
5.4
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de juiste beslissing heeft genomen en dat de kinderrechter die beslissing ook goed heeft uitgelegd. Het hof neemt die uitleg over omdat het hof er na eigen onderzoek net zo over denkt. In hoger beroep zijn geen (nieuwe) feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel leiden. Naar het oordeel van het hof heeft de GI voldoende onderbouwd dat een keer in de acht weken een begeleid bezoek voor de duur van een uur op dit moment het maximaal haalbare is voor de kinderen. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 januari 2024.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Grosscurt, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en R. Krijger, bijgestaan door de griffier, en is op 9 juli 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.