De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl is voorzien van meer lichten of retroreflecterende voorzieningen dan toegestaan”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 juni 2022 om 05:07 uur op de Rijksweg A13 (A13) in Delft met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert - onder meer - aan dat de kantonrechter ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat uit de in het dossier aanwezige afbeelding blijkt dat het voertuig van de betrokkene meer lichten aan de voorzijde heeft dan is toegestaan.
3. De onderhavige gedraging ziet op een overtreding van artikel 5.3.65, eerste lid, onder a in verbinding met artikel 5.3.57 van de Regeling voertuigen (hierna: Rv).
4. Genoemde artikelen luiden - voor zover hier van belang -:
“Bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van:
a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.3.51, 5.3.51a, 5.3.57 en
5.3.57a is voorgeschreven of toegestaan (….).”
“1. Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van:
twee mistvoorlichten;
meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken;
c. twee extra stadslichten;
d. twee extra achterlichten;
e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra
markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn;
f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier
markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn;
h. één extra mistachterlicht;
i. extra achteruitrijlichten;
k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig;
l. extra zijrichtingaanwijzers aan beide zijkanten van het voertuig;
m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de
zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand;
n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is
dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn;
o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn, waarbij bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is;
r. een derde remlicht, indien dit niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht is, aangebracht overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.3.51, eerste lid, onderdeel p;
s. in afwijking van onderdeel r, mogen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van
niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd;
t. in afwijking van onderdeel r, mogen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht;
x. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg;
y. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering, aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht is; hierbij is bijlage VIII, artikel 153, van toepassing;
z. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig.
2. Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen.
3. Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
4. De extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, mogen aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd.”
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor onder meer een gedraging die door deze ambtenaar zelf is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens
Ik (…) zag dat het voertuig was voorzien van meer lichten dan toegestaan.”
7. Naast het zaakoverzicht bevindt zich een foto van de voorzijde van het betreffende voertuig in het dossier.
8. Het hof stelt vast de verklaring van de ambtenaar feitelijk niet meer inhoudt dan een weergave van het voorschrift dat een gedraging in het kader van de Wahv oplevert, zonder de feiten en omstandigheden te omschrijven die invulling geven aan de vermeend geconstateerde gedraging. Daarnaast is op de bij het zaakoverzicht gevoegde foto een veelheid aan lichten zichtbaar die ieder afzonderlijk zonder nadere toelichting, gelet op de inhoud van artikel 5.3.57 Rv, niet ondubbelzinnig zijn te duiden. Onder die omstandigheden kan de gedraging niet worden vastgesteld. Het hof ziet in deze stand van de procedure geen aanleiding meer om de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen een aanvullend proces-verbaal op te vragen. De inleidende beschikking kan niet in stand blijven. Hetgeen overigens door de gemachtigde naar voren is gebracht behoeft daarmee geen bespreking meer.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift en een nadere toelichting dienen in totaal 3,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.405,75 (= (1 x € 624,- x 0,5) + (2,5 x € 875,- x 0,5)).