Uitspraak
1.[appellante1] ( [appellante1] )
2. [appellant2] ( [appellant2] )
3. [appellant3] ( [appellant3] )
4. [appellante4] ( [appellante4] )
5. [appellant5] ( [appellant5] )
1.Het verder verloop van de procedure in hoger beroep
- het oproepingsexploot van 9 januari 2023 waarbij [appellanten] [geïntimeerde2] hebben opgeroepen om in het geding te verschijnen
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde2]
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van
2.De kern van de zaak
“een bedrijfsgebouw, waarin gevestigd een manege, genaamd " [naam1] " met kantine en buitenbak, erf, onder- en bijgelegen grond, gelegen achter [adres1] te [woonplaats1] ”.
de woonboerderij met ondergrond, betonnen toegangsbrug, erf en tuin,
voorste deel = boerderij
achterste deel = manege
- In het taxatierapport van 2006 (zie 2.1.a.) wordt alleen de manege genoemd en niet de boerderij.
- In de brief van D&U van 2006 (zie 2.1.b.) is wel sprake van manege en boerderij, maar uit die brief blijkt ook dat D&U nog niet het taxatierapport kent en wel de cijfers die daarin staan noemt.
- In het gesprek met D&U op 28 juni 2006 en de brief van 3 juli 2006 (zie 2.1.c.) gaat het over de bedrijfsgebouwen en een taxatie van € 460.000, wat past bij de taxatie van de manege (zonder de boerderij) in het taxatierapport van 2006.
- In de ‘onderhandse akte’ die in 2.1.d. is geciteerd staat dan weer:
- Beide akten en daarmee ook het recht van koop lijken daarmee niet alleen de manege maar ook de boerderij aan te duiden. Wat wel bevreemdt is dat de manege in 2006 op € 460.000 is getaxeerd en dat het recht van koop dat de manege en de boerderij zou omvatten slechts een koopsom van € 200.000 kent. In de notitie van [naam2] (zie 2.1.e.) staat dat [geïntimeerde1] de manege overneemt voor € 200.000 en dat hij de boerderij van moeder koopt voor € 200.000. Dat wijst erop dat zijn recht van koop van 2006 alleen de manege betreft en dat hij daarnaast nog de boerderij van moeder zou willen kopen voor € 200.000.
- In het concept van de akte van levering van notaris Nielsen (zie 2.1.f.) staat dat het parkeerterrein en het onder b. vermelde registergoed (dat is de manege) economisch zijn ingebracht in de vof en economisch eigendom zijn van [geïntimeerde1] . Dat wijst erop dat het recht van koop alleen de manege betreft en niet ook de boerderij.
- In de notitie van mr. Brockbernd (zie 2.1.g.) wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de manege en de boerderij. Daarin staat ook weer te lezen dat de manege al economisch eigendom van [geïntimeerde1] is en was ingebracht in de V.O.F. met moeder. En ook dat moeder is gestopt en dat [geïntimeerde1] aan haar daarvoor € 200.000 verschuldigd is. Dat wijst erop dat het recht van koop de manege betreft en niet ook de boerderij. Moeder wil wel dat de boerderij ook naar [geïntimeerde1] gaat, maar ook dat hij dan de schuld aan de gemeente van € 200.000 overneemt. De notitie vormt daarmee eerder een aanwijzing dat de boerderij niet onder het recht van koop valt dan wel.
- Ten slotte vermeldt ook het memorandum van notaris Nielsen uit 2012 (zie 2.1.h.) dat de manege en het parkeerterrein al economische eigendom zijn van [geïntimeerde1] ; dat wordt niet gezegd van de boerderij.
- In 2019 laat [geïntimeerde1] in verband met de toen lopende onderhandelingen de manege en de boerderij taxeren (zie 2.1.j.). Dat stond hem uiteraard vrij, maar zou niet per se nodig zijn als zijn recht van koop zowel de manege als de boerderij zou omvatten, waarvan dan de koopprijs vast zou staan.
- [geïntimeerde1] beroept zich pas in 2019 op een recht van koop van zowel de manege als de boerderij. Dat hoeft nog niet betekenen dat zijn recht van koop alleen de manege en niet ook de boerderij omvat, maar dat hij in zo’n laat stadium dit standpunt inneemt roept wel vragen op. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat hij pas toen juridische bijstand had, al doet dat dan weer geen recht aan de bemoeienis van het kantoor van notaris Nielsen en van [naam2] met deze kwestie.
- De gemeente heeft destijds bij de levering aan de ouders van partijen in een zogeheten verbandschrift bedongen dat de boerderij en de manege onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en niet apart van elkaar kunnen worden verkocht/geleverd. Dat sluit nog niet uit dat moeder een recht van koop aan [geïntimeerde1] heeft gegeven dat alleen de manege betreft.
- Moeder heeft in september 2006 een appartement aan de [adres2] gekocht en is daar enige tijd later gaan wonen. Vanaf 2006 woonde zij niet meer op de boerderij. [geïntimeerde1] betaalde vanaf 2006 de rente voor de lening waarvoor een recht van hypotheek op de boerderij was gevestigd en alle lasten van de manege en de boerderij. Dat kan een aanwijzing zijn dat moeder en [geïntimeerde1] ervan uitgingen dat het recht van koop ook de boerderij omvatte.