Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met één grief
- de memorie van antwoord
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 22 mei 2024 is gehouden.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De vader en moeder zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag over hun twee minderjarige dochters. Na een tijdelijke wijziging van het ouderschapsplan wonen de kinderen verdeeld over beide ouders. Sinds eind maart 2024 verblijft de oudste dochter niet meer bij de vader en is de omgang opgeschort.
De vader vordert in kort geding dat de moeder wordt bevolen de dochter binnen 24 uur terug te brengen en de zorg- en contactregeling na te komen. De voorzieningenrechter wijst dit af, maar veroordeelt de moeder tot nakoming van de zorgregeling vanaf 15 april 2024.
In hoger beroep oordeelt het hof dat de vordering van de vader spoedeisend is en dat de afgesproken regeling uit het tijdelijke ouderschapsplan nagekomen moet worden, tenzij sprake is van een wijziging van omstandigheden. Het hof stelt vast dat er onvoldoende bewijs is voor onveiligheid bij de vader en dat de moeder en school overhaast hebben gehandeld door de dochter zonder overleg weg te halen.
Het hof beveelt de moeder om binnen een week de dochter aan de vader terug te geven onder verbeurte van een dwangsom van maximaal €15.000. De omgangsregeling verloopt inmiddels weer goed. De kosten worden gecompenseerd en ieder draagt zijn eigen kosten. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De moeder wordt bevolen de minderjarige binnen een week aan de vader terug te geven onder dwangsom, met kostencompensatie.