ECLI:NL:GHARL:2024:3741
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Tussenbeschikking
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over beschermingsbewind en verklaring van verwerping in erfrecht
In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de positie van de beschermingsbewindvoerder in het erfrecht. Het geschil betreft de vraag of de bewindvoerder onder artikel 4:193 BW Pro valt als wettelijke vertegenwoordiger en hoe dit zich verhoudt tot de bepalingen over meerderjarigenbewind in Boek 1 BW.
Verzoekster, die optreedt als bewindvoerder over de goederen van een meerderjarige erfgenaam, heeft het hof verzocht om de prejudiciële vragen uit te breiden met aanvullende vragen over de uitleg van de termijn van drie maanden voor het afleggen van een verklaring van verwerping en de mogelijkheid tot verlenging daarvan. Het hof oordeelt dat de aanvullende vragen deels buiten het bereik van prejudiciële vragen vallen.
De kernvragen betreffen of de bewindvoerder de verklaring van verwerping, beneficiaire aanvaarding of zuivere aanvaarding binnen drie maanden moet afleggen en wat de gevolgen zijn van het niet tijdig afleggen. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan en wacht de beantwoording van de Hoge Raad af.
Uitkomst: Het hof stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en houdt verdere beslissing aan.