ECLI:NL:GHARL:2024:3413

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 mei 2024
Publicatiedatum
17 mei 2024
Zaaknummer
200.336.900/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boetesnelheidsmeting ondanks betwisting staandehouding en meetmethode

De betrokkene werd bij inleidende beschikking beboet voor het rijden met een snelheid van 36 km per uur boven de toegestane limiet op de A28. De betrokkene betwistte de overtreding en de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting, evenals het feit dat hij niet staande werd gehouden. De meting vond plaats met een boordsnelheidsmeter waarbij twee voertuigen gelijktijdig werden gemeten met een vrijwel gelijkblijvende tussenafstand.

De ambtenaren verklaarden dat het staande houden van beide voertuigen tegelijk vanwege verkeersveiligheid niet mogelijk was, en dat de meting conform de geldende regels en kalibraties was uitgevoerd. De kantonrechter oordeelde dat er geen reden was om aan de betrouwbaarheid van de meting te twijfelen en dat het niet staande houden gerechtvaardigd was.

Het hof bevestigt deze beoordeling en wijst het beroep van de betrokkene af. De sanctie is terecht opgelegd aan de kentekenhouder op grond van artikel 5 van Pro de Wahv. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen. De keuze van de ambtenaar om de staandehouding achterwege te laten wordt slechts terughoudend getoetst en kan in dit geval worden aanvaard.

Uitkomst: Het hof bevestigt de boete van 295,50 euro voor 36 km/u te hard rijden en wijst het beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.336.900/01
CJIB-nummer
: 246418433
Uitspraak d.d.
: 17 mei 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 8 september 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard, waarbij het sanctiebedrag is gematigd tot 295,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 837,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 394,- voor:
“36 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 december 2021 om 22:44 uur op de A28 in Hooghalen met het voertuig met het kenteken [kenteken1] .
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. Daarnaast moet het, op basis van de verklaring van de ambtenaren dat beide gemeten voertuigen even hard reden, mogelijk zijn geweest de bestuurder van het voertuig staande te houden door tussen beide voertuigen in te gaan rijden en een volgteken aan te zetten aan de voor- en achterzijde van het politievoertuig. Ook strookt de reden in het zaakoverzicht voor het niet staande houden niet met de verklaring daarover in het aanvullend proces-verbaal. Verder betwist de gemachtigde de betrouwbaarheid van de meting. De ambtenaren hebben de bestuurder van het voorste voertuig staande gehouden en verklaren dat dit voertuig even hard reed als de betrokkene. Aangezien de betrokkene er tussen reed, kan echter geen sprake zijn geweest van een gelijkblijvende tussenafstand omdat er geen goed zicht is geweest op het voorste voertuig. De betrokkene stelt dat het voertuig voor hem harder reed en op hem uitliep.
3. Het zaakoverzicht houdt onder meer het volgende in:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig, door bestuurder met een gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen.
Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 180.
Snelheid volgens kalibratietabel: 172.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 166.
Toegestane snelheid: 130.
Overschrijding met: 36.
Meetafstand: 1400 m.
Tussenafstand: 100 m.
Goedkeuring kalibratie boordsnelheidsmeter geldig tot: 12-10-2022.
De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de geldende Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen van het college van Procureurs-Generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid, volgens de kalibratietabel van het dienstvoertuig
( [kenteken2] ). (…)
Opmerkingen ambtenaar 1:
Reden geen staandehouding: omwille van verkeersveiligheid”
4. In een aanvullend proces-verbaal van 18 maart 2022 verklaart ambtenaar [naam1] als volgt:
“In dit geval zag ik 2 voertuigen rijden welke dezelfde snelheid hebben gereden. Ik heb beide voertuigen gemeten. Het andere (…) voertuig reed voorop en heb ik middels stopbord staande kunnen houden. Het 2e voertuig reed erachter en kon ik omwille van de verkeersveiligheid dan ook niet tegelijk staande houden.”
5. Door de advocaat-generaal is in hoger beroep een proces-verbaal van 21 februari 2024 overgelegd, waarin de ambtenaar - voor zover hier van belang - aanvullend verklaart:
“Het staande houden van 2 voertuigen is erg lastig omdat ik rekening moet houden met meerdere factoren, waaronder mijn eigen positie op de weg, 2 voertuigen die staande gehouden moeten worden, waarvan de voorste moet reageren op een stopbord in spiegelschrift, met het risico dat deze op de vluchtstrook stopt en middels een “volgen” bord aan de achterzijde voor het voertuig dat achter mij rijdt. Daarnaast moet ik timen naar welke afrit ik beide voertuigen wil dirigeren. Ook moet ik het overige verkeer goed in de gaten houden om dit veilig te laten verlopen. Op de snelweg maken we daarom vaak alleen gebruik van het “volgen” bord aan de achterzijde van het politievoertuig. Zo kunnen wij mensen laten volgen en op een veilige “door politie aangewezen” plek staande houden. (…) Snelheidsmetingen worden zorgvuldig uitgevoerd. Ik ben hier ook goed mee bekend en heb hier al ongeveer 20 jaar ervaring mee. De snelheidsmeting van beide betrokkenen is conform de regels verlopen en komt uit op de genoemde overtreding van 36 km per uur overschrijding. Dit kan gezien worden als een minimale snelheid, daar wij als politie de afstand tussen gemeten voertuig en politievoertuig altijd gelijk houden OF het gemeten voertuig iets laten uitlopen.”
6. De kantonrechter heeft geoordeeld dat geen reden bestaat om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de meting en heeft daartoe, onder verwijzing naar het arrest van het hof van
5 juni 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:4686), overwogen dat het niet uit de wet noch uit jurisprudentie blijkt dat het gelijktijdig meten van meerdere voertuigen niet is toegestaan. Het hof heeft in datzelfde arrest overwogen dat bij het meten via een boordsnelheidsmeter het uitgangspunt is dat het voertuig van de ambtenaar het voertuig volgt waarvan de snelheid moet worden vastgesteld, waarbij wordt gezorgd voor een (vrijwel) gelijkblijvende tussenafstand. Uit de verklaringen van de ambtenaar blijkt dat daarvan in deze zaak sprake is geweest. Daarnaast zijn de meetafstand en de volgafstand vermeld in het zaakoverzicht. De enkele stelling van de gemachtigde dat de ambtenaar geen gelijkblijvende afstand heeft kunnen houden van het voertuig van de betrokkene, omdat hij twee voertuigen volgde, is onvoldoende om aan de waarneming van de ambtenaar en de aanwezige gegevens te twijfelen. Aldus is genoegzaam komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
7. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
8. Het hof is verder met de kantonrechter van oordeel dat uit de aanvullende verklaringen van de ambtenaar genoegzaam volgt dat er geen reële mogelijkheid was om de bestuurder van het voertuig staande te houden. Anders dan de gemachtigde stelt, wordt in de aanvullende verklaringen geen andere reden voor het niet staande houden opgegeven maar wordt nader toegelicht waarom de ambtenaar de staandehouding omwille van de verkeersveiligheid achterwege heeft gelaten. Deze beoordeling is aan de ambtenaar en leent zich slechts voor een uiterst terughoudende toetsing door de rechter. Het hof is van oordeel dat de hier gemaakte keuze die toetsing in het licht van de gegeven uitleg en geschetste omstandigheden kan doorstaan. De sanctie is dan ook terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
9. Het voorgaande betekent dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard en dat het hof die beslissing zal bevestigen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.