ECLI:NL:GHARL:2024:3119

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 mei 2024
Publicatiedatum
2 mei 2024
Zaaknummer
Wahv 200.335.059/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor gevaarlijk parkeren ondanks discussie feitcodes

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd van €150 voor het zodanig parkeren van een voertuig dat gevaar of hinder voor het verkeer werd veroorzaakt, op 30 januari 2022 in ’s-Gravenhage. De betrokkene stelde dat de hinder reeds was verdisconteerd in een lagere sanctie voor dubbel parkeren (feitcode R398) en dat de ambtenaar daardoor geen sanctie op grond van artikel 5 WVW Pro 1994 had mogen opleggen.

De gegevens van de ambtenaar toonden aan dat het voertuig de rijbaan blokkeerde waardoor verkeer over de trambaan moest uitwijken. Foto’s bevestigden dat het voertuig op de rijbaan stond met parkeervakken aan de ene zijde en een trambaan aan de andere zijde. De kantonrechter oordeelde dat niet alle hinder was verdisconteerd in de feitcode voor het parkeerverbod en dat de ambtenaar discretionair mocht optreden.

Het hof volgde dit oordeel en benadrukte dat het feit dat meerdere feitcodes mogelijk van toepassing waren, juist wees op meerdere hinderaspecten. Daarom was het opleggen van een sanctie op grond van de algemene hinderbepaling in artikel 5 WVW Pro 1994 gerechtvaardigd. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €150 voor gevaarlijk parkeren en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.335.059/01
CJIB-nummer
: 247247335
Uitspraak d.d.
: 2 mei 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 6 november 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “R395 – voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 januari 2022 om 18.36 uur op de Hobbemastraat in ʼs-Gravenhage met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat dubbel parkeren gevaar/hinder met zich brengt doordat geparkeerde auto’s soms niet uit het vak kunnen rijden en dat andere voertuigen om het dubbel geparkeerde voertuig heen moeten rijden. Op dubbel parkeren staat onder feitcode R398 een sanctiebedrag van € 100,-. Nu de geconstateerde hinder is verdisconteerd in feitcode R398, stond het de ambtenaar, ondanks zijn discretionaire bevoegdheid, niet vrij een sanctie op te leggen wegens overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag vtg de rijbaan blokkeerde en verkeer over de trambaan reed. Geen laad en los activiteiten. 5 min tp.”
4. Verder bevat het dossier een foto van de gedraging. Hierop is het voertuig van de betrokkene te zien op de rijbaan met aan de ene zijde van het voertuig geparkeerde auto’s in parkeervakken en aan de andere zijde een trambaan.
5. Het hof stelt vast dat de gemachtigde bij de kantonrechter een soortgelijk verweer heeft gevoerd. Alleen daar was aangevoerd dat feitcode R584 (parkeren bij een parkeerverbod) van toepassing is. In het administratief beroep is een vergelijkbaar verweer gevoerd, met het verschil dat feitcode R396B (voertuig laten stilstaan op een fietsstrook) gebruikt had moeten worden.
6. De kantonrechter heeft - kort samengevat - geoordeeld dat niet alle geconstateerde hinder kan geacht te zijn verdisconteerd in de feitcode voor het overtreden van het parkeerverbod. Het hof ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, ook niet nu de gemachtigde een andere feitcode heeft genoemd die ook van toepassing zou kunnen zijn. De omstandigheid dat de gemachtigde van de betrokkene drie feitcodes kan noemen die mogelijk aan de orde zijn, kan worden gezien als een aanwijzing dat het voertuig stilstond op een plek die om meerdere redenen hinder veroorzaakte dan wel zou kunnen veroorzaken en dus niet alle hinder verdisconteerd is in één specifieke hinderbepaling. De ambtenaar kon in dit geval dus gebruikmaken van diens discretionaire bevoegdheid om een sanctie op te leggen in verband met het overtreden van de algemene hinderbepaling in artikel 5 WVW Pro 1994.
7. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor een proceskostenveroordeling is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.