ECLI:NL:GHARL:2024:2945

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 april 2024
Publicatiedatum
26 april 2024
Zaaknummer
Wahv 200.335.127/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 WahvArt. 13a WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctiebeschikking snorfietshelm op rijbaan vernietigd wegens onvoldoende bewijs

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het niet dragen van een goedgekeurde helm als bestuurder of passagier van een snorfiets op de rijbaan. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig stellen van zekerheid. Het hof vernietigt deze beslissing omdat niet is vastgesteld dat de betrokkene een nadere termijn heeft gekregen om zekerheid te stellen.

Inhoudelijk oordeelt het hof dat op basis van de verklaringen van de betrokken ambtenaar en het dossier niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene daadwerkelijk op de rijbaan reed. De feitcode die de overtreding omschrijft is daarom niet van toepassing. De sanctiebeschikking wordt vernietigd.

Het hof behandelt het beroep zelf en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene. Tevens wordt het door de betrokkene gestelde bedrag aan zekerheid gerestitueerd. De uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs voor het vaststellen van de gedraging en de waarborg van toegang tot de rechter bij draagkrachtverweren.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd omdat niet is vastgesteld dat de betrokkene op de rijbaan reed zonder helm.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.335.127/01
CJIB-nummer
: 249029999
Uitspraak d.d.
: 26 april 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 16 november 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet (tijdig) zekerheid is gesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen zekerheid zou zijn gesteld. De tussenbeslissing van de kantonrechter
van 18 juli 2023 waarin de betrokkene een nadere termijn van zes weken na verzending van die beslissing is gegeven om alsnog volledig zekerheid te stellen, is - voor zover hier van belang - de gemachtigde echter niet bekend. De kantonrechter heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en diens beslissing kan dan ook niet in stand blijven, aldus de gemachtigde. Er is inmiddels zekerheid gesteld en de betrokkene verzoekt het hof om zelf in de zaak te voorzien.
3. Het hof stelt vast dat in de procedure bij de kantonrechter een draagkrachtverweer is gevoerd.
4. Artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarborgt het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Uitgangspunt is dat de verplichting om zekerheid te stellen de toegang tot de rechter niet belemmert. Dat is anders wanneer de betrokkene financieel niet in staat is (volledig) zekerheid te stellen.
5. Wordt tijdig een draagkrachtverweer gevoerd, dan behoort de kantonrechter de betrokkene uit te nodigen voor een openbare zitting. Oordeelt de kantonrechter vervolgens dat de betrokkene inderdaad onvoldoende draagkrachtig is, dan vermindert hij de zekerheidstelling tot een bedrag dat voor de betrokkene wel is op te brengen en geeft hij een nieuwe termijn voor betaling van dat bedrag of stelt hij het bedrag op nihil en behandelt het beroep zonder dat zekerheid is gesteld. Oordeelt de kantonrechter dat het draagkrachtverweer ongegrond is, dan geeft hij de betrokkene een nieuwe termijn voor betaling van het volledige bedrag.
6. In het dossier bevindt zich de tussenbeslissing van de kantonrechter van 18 juli 2023. Bij deze beslissing heeft de kantonrechter de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van twee weken na de datum van de verzending van die beslissing alsnog volledige zekerheid te stellen. Het hof kan op grond van de stukken in het dossier niet vaststellen dat deze beslissing aan de gemachtigde is toegestuurd. Dit betekent dat niet worden vastgesteld dat de betrokkene een nadere termijn is geboden om alsnog zekerheid te stellen.
7. Nu niet kan worden vastgesteld dat de kantonrechter heeft gehandeld in overeenstemming met hetgeen onder 5. is overwogen, dient de beslissing van de kantonrechter te worden vernietigd. Nu de betrokkene de behandeling van het beroep door het hof zelf verlangt en uit door de advocaat-generaal overgelegd zaakoverzicht blijkt dat inmiddels zekerheid is gesteld, zal het hof de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank maar het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
8. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking is sanctie van € 100,- opgelegd voor
feitcode R536a: “bestuurder of passagier bromfiets draagt geen goedgekeurde, goedpassende/ deugdelijk bevestigde helm”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 april 2022 om 20:09 uur op
de De Clercqstraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
9. De officier van justitie heeft de inleidende beschikking gewijzigd, in die zin dat de feitcode is gewijzigd in R536e, “bestuurder/passagier snorfiets op rijbaan draagt geen goedgekeurde, goedpassende deugdelijk bevestigde helm”, met het sanctiebedrag € 100,-.
10. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat feitcode R536e slechts kan worden toegepast in die gevallen dat door de snorfietser geen helm wordt gedragen terwijl van de rijbaan gebruik wordt gemaakt. De betrokkene reed echter op het fietspad en niet op de rijbaan, zodat deze feitcode niet van toepassing is en de gedraging niet kan worden vastgesteld. De inleidende beschikking kan niet in stand blijven, aldus de gemachtigde.
11. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens:
“Soort weg: een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg.”
12. In het proces-verbaal Mulder d.d. 23 juni 2022 verklaart de betrokken ambtenaar naar aanleiding van vragen van de officier van justitie onder meer:
“Snorfietsers, tevens bromfietsers, in Amsterdam moeten binnen de ring op aangewezen locaties op de rijbaan rijden en een goedgekeurde ECE-helm dragen.”
13.
Daarnaast verklaart de betrokken ambtenaar naar een daartoe strekkend verzoek van de advocaat-generaal in het aanvullend proces-verbaal d.d. 19 februari 2024:
“Uit de details van de bekeuring maak ik op dat de overtreding is gepleegd op een categorie 5- weg, niet zijnde een categorie 8-fiets/bromfietspad. Snorfietsers dienen in Amsterdam, binnen de ring A10 sinds april 2019 een goedgekeurde, goedpassende deugdelijke bevestigde helm te dragen op de rijbaan.”
14. Anders dan de advocaat-generaal stelt kan op grond van vorenstaande verklaringen van de betrokken ambtenaar niet worden vastgesteld dat deze heeft waargenomen dat de betrokkene als bestuurder van een snorfiets zonder goedgekeurde, goedpassende deugdelijk bevestigde helm op de rijbaan heeft gereden. De ‘details van de bekeuring’ zijn door de ambtenaar niet nader omschreven en het dossier bevat met betrekking tot de vaststelling van de gedraging niet meer informatie dan hiervoor is weergegeven. Dit betekent dat de gedraging met feitcode R356e op grond van de gegevens in het dossier niet kan worden vastgesteld. De (gewijzigde) inleidende beschikking zal worden vernietigd. Het hof zal als volgt beslissen.
15. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 punten te worden toegekend. Voor het verschijnen op de draagkrachtzitting bij de kantonrechter wordt met een verwijzing naar het arrest van het hof van 26 februari 2024, ECL:NL:GHARL:2024:1395, geen punt toegekend, nu geen sprake is geweest van redelijkerwijs gemaakte proceskosten in de zin van artikel 13a, eerste lid, van de Wahv door de gemachtigde voor het verschijnen op die zitting. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het
(hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van
de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot
een bedrag van € 1.343,- (= (1,5 x € 624,- x 0,5) + (2 x € 875,- x 0,5)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.343,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.