Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de kinderalimentatie centraal voor twee minderjarige kinderen, waarbij het hof het hoger beroep van de moeder en het incidenteel hoger beroep van de vader behandelde. De rechtbank had eerder de kinderalimentatie vastgesteld, maar partijen waren het niet eens over de hoogte en de draagkrachtberekening.
Het hof nam de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatie als uitgangspunt en beoordeelde de draagkracht van de vader, moeder en de partner van de vader. De woonlasten van de vader werden lager vastgesteld dan het forfait, wat leidde tot een draagkrachttekort. De moeder werd geacht haar verdiencapaciteit van 20 uur per week te benutten. De draagkracht van de partner van de vader werd eveneens meegenomen, rekening houdend met de combinatiekorting.
De verdeling van de draagkracht van de vader over zijn kinderen werd naar rato van de behoefte vastgesteld, waarbij ook een zorgkorting werd toegepast. Voor de periode vanaf 1 januari 2024 werden de draagkrachten opnieuw berekend op basis van gewijzigde financiële omstandigheden, waarbij het hof rekening hield met een vermoedelijke inkomensstijging van de vader en het actuele inkomen van de moeder en partner.
Uiteindelijk vernietigde het hof de eerdere beschikking en stelde het nieuwe kinderalimentatiebedragen vast: €115 per kind per maand vanaf 27 januari 2023 en €149 per kind per maand vanaf 1 januari 2024. De proceskosten werden gecompenseerd en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof stelt de kinderalimentatie vast op €115 per kind per maand vanaf 27 januari 2023 en €149 per kind per maand vanaf 1 januari 2024.