Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant1]
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling
- een akte van [appellanten] met producties
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het geschil betreft een vordering van [appellanten] tot openlegging van financiële en fiscale stukken van IHP Beheer over de periode 2014-2022, primair op grond van artikel 3:15j BW en subsidiair op grond van artikel 843a Rv. Deze vordering is ingesteld in het kader van de ontvlechting van een groep vennootschappen en de controle op het beleid van een tijdelijk bestuurder.
De voorzieningenrechter wees de gevraagde voorlopige voorziening af, waarna hoger beroep werd ingesteld. Het hof oordeelt dat [appellanten] onvoldoende spoedeisend belang heeft bij de gevorderde openlegging. De door [appellanten] aangevoerde fiscale risico's zijn niet concreet onderbouwd en het enkel willen controleren van het beleid van de tijdelijk bestuurder is onvoldoende voor spoedeisend belang.
Daarnaast stelt het hof vast dat [appellanten] niet tot de kring van gerechtigden behoort op grond van artikel 3:15j BW, omdat zij sinds de verkoop van de aandelen in IHP Beheer geen aandeelhouder of vennoot meer zijn. Ook de subsidiaire vordering op grond van artikel 843a Rv strandt, omdat niet aannemelijk is dat IHP Beheer beschikt over meer bescheiden dan reeds verstrekt.
Het bewijsaanbod van [appellanten] wordt afgewezen wegens de aard van het kort geding en het ontbreken van concrete getuigen of bewijsstukken. Het hoger beroep wordt afgewezen en [appellanten] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de gevorderde openlegging van financiële stukken wordt niet toegewezen.