De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland over kinderalimentatie voor een minderjarig kind geboren in 2022. De vrouw vordert vaststelling van kinderalimentatie, waarbij zij onder meer de kosten van kinderopvang als verhoogde behoefte aanvoert. De man voert verweer en betwist de hoogte van de behoefte en zijn draagkracht.
Het hof gaat uit van de fiscale winst van de man over 2021 vanwege het ontbreken van recente jaarcijfers en verwerpt het verzoek de kinderopvangkosten als aparte behoeftepost mee te nemen, omdat deze kosten deels reeds in de behoefte zijn verdisconteerd. De draagkracht van de man wordt vastgesteld op €643 per maand en die van de vrouw op €184 per maand, waarbij de vrouw haar draagkracht verdeelt over twee kinderen waarvoor zij onderhoudsplichtig is.
De behoefte van het kind wordt vastgesteld op €548 per maand in 2023, met een zorgkorting van 5% wegens beperkt contact tussen de man en het kind. De man wordt veroordeeld tot betaling van €452 per maand vanaf 17 maart 2023, te verhogen naar €480 per maand per 1 januari 2024 met wettelijke indexering. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.