ECLI:NL:GHARL:2024:2148

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 maart 2024
Publicatiedatum
27 maart 2024
Zaaknummer
200.334.311/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61a RVV 1990Art. 3 WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden

De betrokkene kreeg een sanctie van €350 opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de A16 bij Prinsenbeek. De betrokkene stelde dat de telefoon in een houder zat en slechts werd bediend, wat niet onder artikel 61a RVV 1990 valt.

Het hof oordeelde dat op basis van de beschikbare foto's niet kan worden vastgesteld of sprake was van vasthouden of enkel bedienen van de telefoon. De telefoon bevond zich in een houder op het dashboard, en slechts een vinger was zichtbaar. Volgens eerdere jurisprudentie valt het bedienen van een telefoon in een houder niet onder het verbod van artikel 61a RVV 1990.

Daarom werd de sanctiebeschikking vernietigd en het beroep van de betrokkene gegrond verklaard. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.187,- aan de betrokkene.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.334.311/01
CJIB-nummer
: 248662358
Uitspraak d.d.
: 27 maart 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 8 juni 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 april 2022 om 13:50 uur op de A16 rechts in Prinsenbeek met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de telefoon in de telefoonhouder zat en dat daarom geen sprake was van vasthouden maar van bedienen van het apparaat. Ter onderbouwing van deze stelling is eerder in de procedure een foto van de telefoonhouder overgelegd.
3. Deze gedraging betreft een overtreding van artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), dat luidt:
“ Het is degene die een voertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt in elk geval verstaan een mobiele telefoon, een tabletcomputer of een mediaspeler.”
4. De advocaat-generaal stelt in het verweerschrift op basis van de foto van de gedraging en de door de betrokkene overgelegde foto het aannemelijk te vinden dat de telefoon zich op het moment van de gedraging in de houder bevond. De advocaat-generaal is echter van mening dat wel sprake is van het vasthouden en niet enkel het bedienen van de telefoon
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag met een camerasysteem op basis van twee beelden met een tussentijd van 0,125 seconden dat de bestuurder van een voertuig tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vasthield. Ik heb daarbij duidelijk en onbelemmerd in het voertuig kunnen kijken. (…)”
7. Verder bevinden zich in het dossier de foto’s van de gedraging. Op de ingezoomde foto is links onder op de foto de bovenkant van een telefoon te zien. De bovenkant van een vinger van de bestuurder is te zien bij de telefoon.
8. Op de door de betrokkene overgelegde foto is een telefoonhouder te zien op de plaats waar op de foto van de gedraging de bovenkant van de telefoon zichtbaar was.
9. Gelet op de (ingezoomde) foto van de gedraging en de door de betrokkene overgelegde foto houdt het hof het er - evenals de advocaat-generaal - voor dat de telefoon zich ten tijde van de gedraging in de daarvoor bestemde houder op het dashboard bevond.
10. Het hof heeft in de uitspraak van 7 maart 2018 (ECLI:NL:GHARL: 2018:2186) bepaald dat het met een hand bedienen van een telefoon terwijl deze is geplaatst in een telefoonhouder die is bevestigd op het dashboard, niet onder de bepaling van artikel 61a van het RVV 1990 valt.
11. Naar het oordeel van het hof is - anders dan de advocaat-generaal meent - op basis van de foto’s in dit geval niet vast te stellen of sprake was van het vasthouden van de telefoon of van het (enkel) bedienen van de telefoon. Slechts de bovenkant van een vinger is zichtbaar bij de telefoon. Nu niet kan worden vastgesteld dat de bestuurder van het voertuig tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthield, kan de inleidende beschikking niet in stand blijven. Hetgeen de gemachtigde verder heeft aangevoerd, behoeft derhalve geen bespreking meer. Het hof zal als volgt beslissen.
12. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een beroepschrift bij de officier van justitie, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.187,- (= (1 x € 624,- x 0,5) + (2 x € 875,- x 0,5)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.187,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.