ECLI:NL:GHARL:2024:2140
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken actuele bedreiging bij ongewenstverklaring vreemdeling
Verdachte, een Poolse burger en daarmee EU-burger, was op 3 februari 2022 aangehouden wegens verblijf in Nederland terwijl hij ongewenst was verklaard op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Het hof heeft het vonnis van de politierechter, die verdachte veroordeelde tot een gevangenisstraf van 2 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk, vernietigd en vrijspraak uitgesproken.
De kern van het geschil betrof de vraag of het gedrag van verdachte op het moment van aanhouding een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving, zoals vereist door artikel 27, tweede lid, van de EU Verblijfsrichtlijn. Het hof oordeelde dat eerdere strafbare feiten en de ongewenstverklaring op zichzelf niet voldoende zijn om deze bedreiging aan te nemen.
Hoewel verdachte eerder was uitgezet en teruggekeerd, en geen identiteitsdocument kon tonen bij aanhouding, ontbraken concrete aanwijzingen dat hij op dat moment een daadwerkelijke bedreiging vormde. Verdachte had sinds de ongewenstverklaring geen nieuwe strafbare feiten gepleegd en was sinds 2020 niet meer met politie in aanraking gekomen.
Het hof concludeerde dat het criterium van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging niet was vervuld en sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde artikel 197 Sr Pro. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en de zaak werd opnieuw beoordeeld, met deze vrijspraak als uitkomst.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat niet is vastgesteld dat hij op het moment van aanhouding een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde.