Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2024:2098

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
26 maart 2024
Zaaknummer
200.332.863/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:449 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verzoek tot opheffing bewind wegens medische situatie

Verzoeker heeft bij de kantonrechter verzocht om opheffing van het bewind dat over zijn goederen was ingesteld vanwege zijn lichamelijke en geestelijke toestand. De kantonrechter wees dit verzoek af. Verzoeker ging hiertegen in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Tijdens de procedure bleek dat verzoeker een positieve ontwikkeling had doorgemaakt in zijn gezondheidssituatie, met stabilisatie en medicatietrouw. Desondanks is het hof van oordeel dat verzoeker nog niet in staat is zijn financiële belangen zelfstandig te behartigen. De bewindvoerder gaf aan dat verzoeker nog steeds afhankelijk is van extra leefgeld en onvoldoende prioriteit geeft aan het aflossen van een saneringskrediet.

Ook uit bankoverzichten bleek dat de moeder van verzoeker regelmatig geld overmaakt, wat verzoeker niet geloofwaardig ontkent. Het hof acht het daarom noodzakelijk het bewind voort te zetten om verzoekers belangen te beschermen. Het hof moedigt verzoeker aan om mee te werken aan een budgetcursus om zelfstandigheid te vergroten en zo mogelijk in de toekomst het bewind op te heffen.

De grief faalt en de bestreden beschikking van de kantonrechter wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het bewind.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.332.863
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10510640)
beschikking van 26 maart 2024
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. A. R. Jaarsma te Vinkeveen.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
Stichting [de bewindvoerder],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verder te noemen: de bewindvoerder,
en
[de moeder],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de moeder.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht) van 31 augustus 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Het hof zal deze beschikking hierna noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 15 september 2023;
- een e-mail met bijlage van de moeder, ingekomen op 28 februari 2024.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 29 februari 2024 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat;
- de bewindvoerder.
2.3
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de bewindvoerder en (de advocaat van) [verzoeker] stukken overgelegd, te weten:
- een actueel budgetoverzicht, overgelegd door de bewindvoerder;
- een overzicht van de bankposten van [verzoeker] van 1 januari 2023 tot en met
31 december 2023, overgelegd door mr. Jaarsma.

3.De feiten

3.1
[verzoeker] is geboren [in] 1986 in [plaats1] .
3.2
Bij beschikking van de kantonrechter te Utrecht van 15 januari 2021 zijn de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [verzoeker] onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand.
3.3
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland op 10 mei 2023, heeft [verzoeker] om opheffing van het bewind verzocht.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] afgewezen.
4.2
[verzoeker] is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Met deze grief beoogt hij het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.
4.3
De bewindvoerder voert verweer.

5.De motivering van de beslissing

Wat in de wet staat5.1 In artikel 1:449 lid 2 BW Pro staat dat de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind kan opheffen op verzoek van de bewindvoerder of de rechthebbende (dat is hier: [verzoeker] ), dan wel ambtshalve.
Wat het hof oordeelt
5.2
Het hof is, net als de kantonrechter, van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] om het bewind op te heffen moet worden afgewezen. [verzoeker] heeft het hof er niet van kunnen overtuigen dat de noodzaak van het bewind niet meer bestaat of voortzetting van het bewind om een andere reden niet zinvol is.
Het hof merkt op dat [verzoeker] de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt: De rechtbank heeft op 8 februari 2023 een verzoek tot afgifte van een zorgmachtiging afgewezen, en de gezondheidssituatie van [verzoeker] lijkt te zijn gestabiliseerd. [verzoeker] heeft een goede band met zijn huisarts en hij is medicatietrouw. Het afgelopen jaar gaat het dus beter met zijn gezondheid. Dat heeft hij zelf tijdens de zitting ook bevestigd.
Desondanks is het hof van oordeel dat het bewind nu niet moet worden opgeheven. De bewindvoerder heeft tijdens de zitting toegelicht dat [verzoeker] weliswaar sinds november 2023 eenmaal in de maand in plaats van wekelijks leefgeld ontvangt, maar dat hij nog niet in staat is om zijn financiën te regelen en rond te komen van zijn budget. Er loopt een saneringskrediet dat in oktober 2024 zal zijn afgelost. Desondanks dient [verzoeker] (nog steeds) voortdurend aanvragen in voor extra leefgeld. Hij geeft er daarmee blijk van dat hij geen prioriteit geeft aan het aflossen van het saneringskrediet, hoewel de kantonrechter in de bestreden beschikking heeft benoemd dat dit hem zorgen baart.
5.3
De moeder heeft in haar brief toegelicht dat [verzoeker] bij haar ook meerdere keren per week om geld vraagt. Hoewel [verzoeker] dit tijdens de zitting heeft ontkend, blijkt wel uit de door de bewindvoerder overgelegde bankoverzichten dat de moeder van [verzoeker] vaak (inderdaad meerdere keren per week) geld naar de rekening van [verzoeker] overmaakt. Dat heeft [verzoeker] op zichzelf niet betwist, zij het dat hij benadrukt dat hij er zelf niet om vraagt. Dat laatste vindt het hof niet geloofwaardig, ook omdat het geregeld om relatief kleine, en niet afgeronde bedragen gaat.
Dit alles maakt dat het hof vindt dat [verzoeker] op dit moment nog niet in staat is om zijn eigen vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Het voortzetten van het bewind is daarom op dit moment nog zinvol en noodzakelijk.
5.4
Het hof begrijpt de wens van [verzoeker] om zelf zijn zaken te kunnen regelen en heeft hier ook begrip voor. Het hof vindt het in het belang van [verzoeker] dat hij laat zien dat hij voldoende zelfstandig is en dat hij zich inspant om zelfredzaam te zijn, wat bijvoorbeeld kan door mee te werken aan de door de bewindvoerder voorgestelde budgetcursus. Op deze manier kan de financiële zelfstandigheid van [verzoeker] worden vastgesteld en kan (eventueel) worden toegewerkt naar een opheffing van het bewind.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 augustus 2023.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, M.P. den Hollander en E.H. Schijven- Bours, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes- de Wit als griffier, en is op 26 maart 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.