AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen sanctiebeschikking rechts inhalen wegens ontbreken reële mogelijkheid tot staandehouding
De betrokkene kreeg een sanctie van €250 opgelegd voor rechts inhalen op 16 maart 2022 op de Schipholweg te Vijfhuizen. De betrokkene stelde beroep in tegen deze sanctie omdat de ambtenaar niet kon verklaren waarom hij de bestuurder niet staande hield.
Volgens artikel 5 WahvPro moet een ambtenaar bij constatering van een overtreding de bestuurder staande houden om diens identiteit vast te stellen, tenzij er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. De ambtenaar gaf in het zaakoverzicht aan dat hij de bestuurder niet kon staande houden omdat hij niet op een veilige wijze kon kenbaar maken dat de betrokkene moest stoppen, vermoedelijk omdat hij in zijn privévoertuig reed.
Echter, in een latere e-mail aan de officier van justitie gaf de ambtenaar aan zich de casus moeilijk te herinneren en kon hij geen zaakgerichte verklaring geven. Hierdoor kon het hof niet aannemen dat er daadwerkelijk geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Daarom vernietigde het hof de sanctiebeschikking en de beslissing van de kantonrechter. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene.
Uitkomst: Het hof vernietigt de sanctiebeschikking wegens onvoldoende bewijs van het ontbreken van een reële mogelijkheid tot staandehouding.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.332.951/01
CJIB-nummer
: 248132663
Uitspraak d.d.
: 14 maart 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 8 juni 2023, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “rechts inhalen waar dat verboden is”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 maart 2022 om 12.57 uur op de Schipholweg in Vijfhuizen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat nu de ambtenaar desgevraagd heeft aangegeven dat hij zich de situatie niet meer kan herinneren de ambtenaar een aanname moest doen waarom hij de bestuurder van het voertuig niet kon staande houden. Op basis van deze aanname kan niet worden vastgesteld of een staandehouding mogelijk was.
3. Uit artikel 5 vanPro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
Snelheid waarmee betrokkene inhaalde: 125 kilometer per uur.
Aantal ingehaalde voertuigen: 2. (…)
Reden geen staandehouding: rapps (het hof begrijpt: rapporteur) kon niet op een veilige manier kenbaar maken dat de betrokkene moest stoppen of zichzelf kenbaar maken als politie.”
5. In de uitspraak van de kantonrechter, tevens het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter is opgenomen dat de ambtenaar in een nadere, per e-mail aan de officier van justitie verzonden, reactie nog heeft aangegeven dat hij de bestuurder van het voertuig niet kon staande houden, omdat hij in zijn privévoertuig reed. De advocaat-generaal heeft dit e-mailbericht d.d. 5 juni 2023 overgelegd. In dit e-mailbericht schrijft de ambtenaar dat hij zich deze casus moeilijk kan herinneren en meestal als hij niet op een veilige wijze bij het voertuig kan komen dat is omdat hij dan in zijn privévoertuig rijdt.
6. Naar het oordeel van het hof roept de in de gegevens in het zaakoverzicht weergegeven verklaring van de ambtenaar dat hij de bestuurder van het voertuig niet heeft staande gehouden, omdat hij niet op een veilige manier kenbaar kon maken dat de betrokkene moest stoppen of zichzelf kenbaar kon maken als politieambtenaar vragen op. Nu de ambtenaar in een later e-mailbericht heeft aangegeven dat hij zich de onderhavige casus moeilijk kan herinneren en dus geen op de zaak toegespitste verklaring kan geven, kan het hof er niet van uitgaan dat de ambtenaar de bestuurder van het betrokken voertuig niet kon staande houden, omdat hij daadwerkelijk in zijn privévoertuig reed. Bij deze stand van zaken kan de inleidende beschikking niet in stand blijven.
7. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dienen in totaal 3,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.405,75 (= (1 x € 624,- x 0,5) + (2,5 x € 875,- x 0,5)).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 vanPro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.405,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.