ECLI:NL:GHARL:2024:1722

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 maart 2024
Publicatiedatum
11 maart 2024
Zaaknummer
Wahv 200.332.523
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArt. 13 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof matigt sanctie voor parkeren op gehandicaptenparkeerplaats wegens persoonlijke omstandigheden

De betrokkene werd bij een inleidende beschikking beboet voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder het juiste voertuig te gebruiken. De oorspronkelijke sanctie bedroeg €400, later gewijzigd naar €310 door de officier van justitie. De betrokkene stelde in hoger beroep dat hij niet aanwezig was bij de zitting vanwege een medische ingreep en voerde aan dat de situatie rondom gehandicaptenparkeerplaatsen onduidelijk is en dat hij de boete financieel niet kan dragen.

Het hof oordeelde dat de afwezigheid van betrokkene bij de kantonrechter geen negatieve gevolgen heeft en dat de kantonrechter voldoende gemotiveerd heeft waarom het beroep ongegrond werd verklaard. De feiten waren duidelijk: betrokkene parkeerde op 6 november 2021 om 13.24 uur op een gehandicaptenparkeerplaats bestemd voor een ander voertuig. De bebording was duidelijk zichtbaar op de door de ambtenaar gemaakte foto's.

Hoewel de betrokkene de overtreding niet ontkende, matigde het hof het sanctiebedrag tot €155 vanwege zijn persoonlijke en financiële omstandigheden, die met stukken waren onderbouwd. Het hof wees erop dat het CJIB mogelijkheden biedt voor betalingsregelingen. De eerdere beslissing van de kantonrechter werd vernietigd, evenals de beslissing van de officier van justitie, en het beroep werd gedeeltelijk gegrond verklaard.

Uitkomst: Het gerechtshof matigt de boete voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats tot €155 wegens persoonlijke en financiële omstandigheden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.332.523/01
CJIB-nummer
: 245965431
Uitspraak d.d.
: 11 maart 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 22 mei 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 november 2021 om 13.24 uur op het Waterlooplein in Oosterhout met het voertuig met het kenteken [kenteken1] . De officier van justitie heeft het sanctiebedrag gewijzigd in € 310,-.
2. De betrokkene voert aan dat hij niet bij de zitting van de kantonrechter aanwezig is geweest omdat hij in die periode een nieuwe hartklep en pacemaker heeft gekregen. Daarnaast voert hij aan dat de kantonrechter in zijn beslissing niets heeft opgenomen over de wirwar van gehandicaptenparkeerplaatsen en de vele mutaties door intrekken en verstrekken van gehandicaptenparkeerplaatsen. Tot slot merkt de betrokkene op dat hij, vanwege zijn financiële situatie, de boete onmogelijk kan betalen. Hij leeft met zijn gezin op het sociaal minimum, mede door de extra kosten voor zijn gezondheid.
3. Als eerste merkt het hof op dat een betrokkene niet verplicht is ter zitting van de kantonrechter te verschijnen. De afwezigheid van de betrokkene ter zitting wordt hem daarom niet aangerekend en is ook niet van invloed geweest op het oordeel van de kantonrechter.
4. Met betrekking tot de opmerking van de betrokkene dat in de beslissing van de kantonrechter niets is opgenomen over de wirwar aan gehandicaptenparkeerplaatsen en de steeds wijzigende situatie, wordt het volgende opgemerkt. Het hof begrijpt deze opmerking zo dat de betrokkene er over klaagt dat de beslissing van de kantonrechter niet goed is gemotiveerd. Op grond van artikel 13, tweede lid, van de Wahv is dat wel verplicht. In deze zaak heeft de kantonrechter in zijn beslissing opgenomen dat wat de betrokkene in zijn beroepschrift heeft aangevoerd geen reden is om de boete te verlagen. Daarbij heeft de kantonrechter aangegeven dat de betrokkene zijn beroepschrift onvoldoende met (bewijs)stukken heeft onderbouwd. Daarmee heeft de kantonrechter in het kort aangegeven waarom het verweer van de betrokkene niet slaagt. Hoewel de uitleg van de kantonrechter kort is, is dat naar het oordeel van het hof wel voldoende.
5. De betrokkene ontkent niet dat zijn voertuig op 6 november 2021 om 13.24 uur op een gehandicaptenparkeerplaats stond en dat die gehandicaptenparkeerplaats eigenlijk bestemd was voor het parkeren van een ander voertuig dan dat van de betrokkene. Dat betekent dat vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht. Gelet op wat de betrokkene heeft aangevoerd moet het hof beoordelen of er redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie (verder) te matigen.
6. Het dossier bevat een aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar met daarbij de foto’s die de ambtenaar op 6 november 2021 om 13.24 uur ter plaatse heeft gemaakt. Op deze foto’s is te zien dat het voertuig van de betrokkene op een parkeerstrook staat. Ter hoogte van het bestuurdersportier staat parallel aan de rijbaan een grijze paal waaraan een bord E6 (het verkeersbord dat een gehandicaptenparkeerplaats aanduidt) met een onderbord met daarop het kenteken [kenteken2] is bevestigd.
7. Het hof ziet in wat door de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding om aan te nemen dat de betreffende gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats onvoldoende duidelijk was aangegeven. Juist als er in het straatbeeld omstandigheden zijn die voor onduidelijkheid zouden kunnen zorgen - zoals de betrokkene stelt - is het de verantwoordelijkheid van de weggebruiker om extra oplettend te zijn en de aanwezige bebording goed te controleren. Dat de betrokkene niet heeft gezien dat onder het bord E6 een onderbord met daarop een kenteken van een ander voertuig dan dat van de betrokkene was bevestigd, is dan ook een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn rekening komen.
8. De persoonlijke en financiële situatie van de betrokkene, die met stukken is onderbouwd, geeft het hof in dit geval echter aanleiding het bedrag van de sanctie te matigen tot € 155,-. Daarbij merkt het hof voor de betrokkene nog op dat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) belast is met de inning van de sanctie. Wanneer een betrokkene het (gewijzigde) sanctiebedrag niet in een keer kan betalen, kan contact worden opgenomen met het CJIB over de mogelijkheden van het treffen van een betalingsregeling.
9. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt vastgesteld op € 155,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.