ECLI:NL:GHARL:2024:1332

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 februari 2024
Publicatiedatum
22 februari 2024
Zaaknummer
Wahv 200.326.725/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArt. 14 WahvArt. 20d, tweede lid, Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid in bestuursstrafzaak wegens ingetrokken sanctie

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie inzake een bestuursstraf op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat geen zekerheid was gesteld, terwijl de sanctie reeds was ingetrokken.

Het hof oordeelt dat zekerheid niet vereist is als de sanctie is ingetrokken voordat het beroep bij de kantonrechter werd ingesteld. De kantonrechter heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof vernietigt daarom deze beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling.

Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het hoger beroep niet slaagt. Het arrest benadrukt dat de rechtbank bij toekenning van proceskosten ook rekening kan houden met de in hoger beroep gemaakte kosten, maar het gewicht van de zaak is gering.

De procedure toont de toepassing van de Wahv en de voorwaarden voor het instellen van hoger beroep tegen bestuursrechtelijke sancties. Het arrest zorgt voor rechtsduidelijkheid over de eis van zekerheid bij ingetrokken sancties.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en wijst de zaak terug naar de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.326.725/01
CJIB-nummer
: 253313654
Uitspraak d.d.
: 22 februari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2023, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
2. Uit het dossier blijkt dat bij inleidende beschikking van 26 oktober 2022 een sanctie van
€ 107,- is opgelegd vanwege een snelheidsoverschrijding. Uit het zaakoverzicht volgt dat de beschikking is ingetrokken door de opsporingsinstantie en dat op 4 november 2022 de openstaande vorderingen op € 0,00 zijn gezet. Op 11 november 2022 is beroep tegen de inleidende beschikking ingesteld. Bij beslissing van 15 november 2022 is dit beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Tegen deze beslissing is beroep bij de kantonrechter ingesteld.
3. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat geen, althans onvoldoende, zekerheid is gesteld.
4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter onjuist is, omdat de beschikking al was ingetrokken door de opsporingsinstantie.
5.
Deze grond slaagt. Artikel 11 van Pro de Wahv bepaalt dat zekerheid moet worden gesteld voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten, of indien de sanctie € 225,- of meer bedraagt, zekerheid moet worden gesteld voor de betaling van € 225,- en de administratiekosten. Nu in dit geval de inleidende beschikking al was ingetrokken voordat beroep bij de kantonrechter was ingesteld, was er geen sanctie meer waarvoor zekerheid diende te worden gesteld. De kantonrechter heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard omdat geen zekerheid is gesteld.
6. De gemachtigde van de betrokkene heeft het hof niet gevraagd om de zaak zelf af te doen. Gelet op het bepaalde in artikel 20d, tweede lid, van de Wahv zal het hof de zaak daarom terugwijzen naar de rechtbank ter behandeling en beslissing.
7. Nu de betrokkene door het hof niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786). Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, als hij besluit tot toekenning van een proceskostenvergoeding, de in hoger beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking kan brengen. Dat betreft als kosten van rechtsbijstand de indiening van een hoger beroepschrift (1 procespunt). Het gewicht van de zaak, die betrekking heeft op de vraag of proceskostenvergoeding moet worden toegekend, is zeer licht (wegingsfactor 0,25).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.