Art. 2 WahvArt. 3 WahvArt. 4 WahvArt. 7:18 AwbArt. 63d Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen administratieve sanctie door roodlichtovertreding verworpen wegens schending informatieplicht
De betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €250 opgelegd wegens doorrijden bij rood licht op 31 januari 2021, vastgesteld met flitspaalfoto's. Hij voerde aan dat de foto die hij ontving niet overeenkwam met de overtreding en dat de sanctie niet door een bevoegde ambtenaar was opgelegd.
De kantonrechter wees het beroep af, maar het hof constateert dat de officier van justitie de juiste foto’s te laat aan de betrokkene heeft verstrekt, waarmee de informatieplicht is geschonden. Dit leidt tot vernietiging van de eerdere beslissingen.
Het hof oordeelt dat het CJIB-document van 12 februari 2021 als beschikking geldt en dat de sanctie rechtsgeldig is opgelegd door een bevoegde buitengewoon opsporingsambtenaar. De overtreding is voldoende vastgesteld met de flitspaalfoto’s en het zaakoverzicht.
Daarom verklaart het hof het beroep tegen de sanctie ongegrond, vernietigt het de eerdere beslissingen en bevestigt de sanctie. De overige bezwaren van de betrokkene behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor procedurele fouten, maar het beroep tegen de sanctie wordt ongegrond verklaard en de sanctie blijft gehandhaafd.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.319.737/01
CJIB-nummer
: 239249994
Uitspraak d.d.
: 8 januari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorrijden bij driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 31 januari 2021 om 17:20 uur op de N525 Larenseweg, kruising Johannes Geradtsweg in Hilversum met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De gedraging is vastgesteld aan de hand van foto’s die met een flitspaal zijn gemaakt.
2. De betrokkene heeft met name de volgende beroepsgronden naar voren gebracht. De betrokkene ontving bij brief van 15 februari 2021 als foto van de vermeende overtreding een foto van 11 januari 2017, 11:05 uur, van verbalisant [nummer1] . Hij heeft in administratief beroep aangevoerd dat deze foto geen bewijs is voor de onder 1 genoemde overtreding. De officier van justitie heeft bij zijn beslissing van 18 mei 2021 het zaakoverzicht en twee andere foto’s overgelegd. In een strafzaak is essentieel dat het openbaar ministere en verbalisanten correct en betrouwbaar zijn. De kantonrechter heeft slechts overwogen dat de betrokkene kennelijk eerder een andere foto heeft ontvangen en aan die fout geen gevolgen verbonden. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat de sanctie niet is opgelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar en bij een door deze ambtenaar gedagtekende beschikking. De sanctie is opgelegd bij brief d.d. 12 februari 2021 waarop staat “beschikking”. Aangenomen kan worden dat deze brief is bedoeld als een gedagtekende beschikking als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wahv, maar de in de beschikking genoemde entiteiten, het Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Centraal Justitieel Incassobureau en de “Adm. verwerking flitsgegevens CJIB” zijn niet bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie. Datzelfde geldt voor de Afdeling administratieve verwerking flitsgegevens CJIB, die kennelijk de foto’s heeft beoordeeld en de overtreding heeft vastgesteld. Zij zijn allemaal geen bevoegde opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wahv, artikel 141 SvPro of het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften van 1 april 1994 (Bahv). Op grond van laatstgenoemd besluit is een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) niet aangewezen en bevoegd deze administratieve sanctie op te leggen. De beschikking van 12 februari 2021 is geen besluit van een bevoegde ambtenaar. Het dossier bevat geen ambtsedige verklaring van een bevoegde opsporingsambtenaar, vastgelegd in een proces-verbaal op grond waarvan de gedraging kan worden vastgesteld.
3. De advocaat-generaal is het eens met de overweging van de kantonrechter dat de gedraging op basis van de inhoud van het zaakoverzicht en de foto’s van 31 januari 2021 kan worden vastgesteld en dat dit niet anders wordt doordat de betrokkene kennelijk eerder een andere foto heeft ontvangen. Hij concludeert tot bevestiging van de beslissing van de kantonrechter.
4. Het hof merkt naar aanleiding van de door de betrokkene in het beroepschrift genoemde termen 'overtreding' en 'strafrecht' allereerst op dat een gedraging als deze niet geldt als strafbaar feit in de zin van het Wetboek van Strafrecht en dat ingevolge artikel 2 vanPro de Wahv voorzieningen van strafvorderlijke en strafrechtelijke aard zijn uitgesloten. Dat houdt in dat de voorschriften van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en het Wetboek van Strafvordering (Sv) inzake de opsporing, vervolging en berechting niet van toepassing zijn, tenzij deze in de Wahv zelf van toepassing worden verklaard.
5. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij de officier van justitie. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om de opgelegde sanctie op basis daarvan te betwisten. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat daaronder in Wahv-zaken moet worden begrepen het zaakoverzicht en - indien aanwezig - een foto van de gedraging (vgl. het arrest van dit hof van 28 september 2015, vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL: 2015:7246). Het betreft de stukken waarin de voor de sanctieoplegging relevante gegevens (moeten) zijn vermeld respectievelijk die de ambtenaar voor de oplegging van de sanctie heeft gebruikt. Over deze gegevens moet de officier van justitie, bij de beslissing op het administratief beroep, (kunnen) beschikken, onafhankelijk van hetgeen in administratief beroep is aangevoerd. Deze stukken moeten daarom in het dossier zitten en de officier van justitie moet deze stukken op verzoek aan de betrokkene verstrekken (vgl. het arrest van het hof van 2 februari 2018, vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2018:1050).
6. Uit het dossier blijkt het volgende. De brief van het CJIB van 15 februari 2021 houdt in dat de betrokkene om een foto van de gedraging in de zaak met het CJIB nummer 239249994 heeft gevraagd. Op 24 februari 2021 heeft de betrokkene administratief beroep ingesteld en aangevoerd dat de ontvangen en door hem bijgevoegde foto (van 11 januari 2017) niet staaft dat hij op 31 januari 2021 in Hilversum met zijn auto door rood is gereden. De juiste foto’s zijn de betrokkene pas toegezonden bij de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Dat is te laat. Dit brengt mee dat de officier van justitie de informatieplicht heeft geschonden. De kantonrechter had de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep niet in stand kunnen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en -met gegrondverklaring van het beroep daartegen- ook de beslissing van de officier op het administratief beroep. De overige bezwaren die de betrokkene heeft aangevoerd tegen de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie hoeven nu niet meer te worden besproken.
7. Voor zover de betrokkene bedoelt aan te voeren dat de toezending van de verkeerde foto bij brief van 15 februari 2021 of de schending van de informatieplicht door de officier van justitie moet leiden tot vernietiging van de opgelegde sanctie, is dat niet juist. Deze fouten raken niet de totstandkoming van de inleidende beschikking zelf. Het hof zal nu de bezwaren tegen de opgelegde sanctie beoordelen.
8. Het hof stelt vast dat aan de betrokkene een op 12 februari 2021 gedateerd, van het CJIB afkomstig, document is toegezonden waarbij hem is meegedeeld dat een verkeersvoorschrift is overtreden en dat de betrokkene deze beschikking, waarbij een administratieve sanctie is opgelegd, ontvangt.
9. De volgende regelgeving is van belang.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wahv kunnen ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (…) op de wijze bij deze wet bepaald administratieve sancties worden opgelegd.
Ingevolge artikel 3, eerste en tweede lid, van de Wahv zijn met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften belast de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren en zijn deze ambtenaren bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt.
Artikel 4 vanPro de Wahv luidt, voor zover hier van belang:
"1. De administratieve sanctie wordt opgelegd bij een gedagtekende beschikking. De beschikking bevat een korte omschrijving, onder verwijzing naar de aanduiding in de bijlage, van de gedraging ter zake waarvan zij is gegeven en het voor die gedraging bepaalde bedrag van de administratieve sanctie, de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats waar de gedraging is geconstateerd. Bij ministeriële regeling worden het model van de beschikking en dat van de aankondiging van beschikking vastgesteld, of de eisen waaraan het model moet voldoen.
2. De bekendmaking van de beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending van de beschikking aan het adres dat betrokkene heeft opgegeven. Indien dat niet mogelijk is en de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, dient de bekendmaking van de beschikking binnen vier maanden nadat de naam en het adres van de kentekenhouder van dat motorrijtuig bekend zijn te geschieden, door toezending van de beschikking aan dat adres, met dien verstande dat de bekendmaking van de beschikking geschiedt uiterlijk binnen vijf jaar nadat de gedraging heeft plaatsgevonden."
Artikel 2, eerste lid, van de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie houdt in:
"Het model van de beschikking, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften vermeldt in ieder geval:
a. de naam van de overtreder;
b. de gedraging, alsmede het overtreden voorschrift;
c. het te betalen sanctiebedrag;
d. de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden;
e. een aanduiding van de plaats waar en de datum en het tijdstip waarop de gedraging is geconstateerd."
Ingevolge artikel 63d, eerste lid, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid is het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) belast met:
a. de tenuitvoerlegging van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, waaronder in ieder geval wordt verstaan de inning, de gerechtelijke incasso en de toepassing van wettelijke dwangmiddelen en het beheer en verwerking van dienaangaande gegevens;
b. de coördinatie van de persoonsgerichte tenuitvoerlegging van alle strafrechtelijke beslissingen als operationeel ketenregisseur, alsmede het beheer en de verwerking van dienaangaande gegevens. Het CJIB voorziet de gerechten als bedoeld in artikel 2 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie, het openbaar ministerie en de met de tenuitvoerlegging belaste organisaties van informatie over de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;
c. de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen inhoudende geldelijke sancties, waaronder in ieder geval wordt verstaan de inning, de gerechtelijke incasso en de toepassing van wettelijke dwangmiddelen, vervangende hechtenis en het beheer en de verwerking van dienaangaande gegevens;
d. de ondersteuning van het openbaar ministerie bij strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen en voor zover dit door het openbaar ministerie van het CJIB wordt verlangd;
e. het verrichten van incassowerkzaamheden voor de door de bewindspersoon aangewezen onderdelen van het Rijk;
f. het verrichten van inning- en of incassowerkzaamheden ter ondersteuning van het Rijk;
g. het verrichten van door de bewindspersoon aangewezen andere werkzaamheden ter ondersteuning van het Rijk;
h. het voorzien van informatie aan de ter zake bevoegde autoriteiten belast met de overname en overdracht van strafrechtelijke beslissingen van en aan het buitenland ten behoeve van de tenuitvoerlegging. Tevens ondersteunt het CJIB de officier van justitie als bedoeld in artikel 1 vanPro het Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie.
10. De hiervoor weergegeven bepalingen eisen niet dat er een schriftelijk besluit moet zijn van de ambtenaar die de sanctie oplegt, dat deze de sanctie oplegt. Het hof heeft in vaste jurisprudentie aanvaard dat het besluit tot oplegging van de sanctie door de aangewezen ambtenaar kan worden genomen door het aanleveren van de gegevens van de gedraging aan het CJIB. Het CJIB is op zijn beurt belast met de tenuitvoerlegging daarvan.
11. Het door het CJIB aan de betrokkene toegezonden document met dagtekening 12 februari 2021 houdt de schriftelijke bevestiging in van het door de aangewezen ambtenaar genomen besluit tot oplegging van de sanctie aan de betrokkene. Dat document moet worden aangemerkt als de beschikking in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wahv. Het toegezonden document voldoet aan de daartoe bij en krachtens de Wahv gestelde eisen. De administratieve sanctie is aldus op de wettelijk voorgeschreven wijze opgelegd en bekendgemaakt.
12. De officier van justitie heeft aan de betrokkene ook het zaakoverzicht toegezonden. Op pagina 2 staat dat de sanctie is opgelegd door ambtenaar Reken, werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar in het domein generieke opsporing in dienst van het CJIB en beëdigd bij akte met nummer 6043521/1. Deze ambtenaar ontleent zijn opsporingsbevoegdheid aan het Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 juni 2018 nr. BOACAT2018/034, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het Centraal Justitieel Incassobureau (gepubliceerd in Staatscourant 2018, 35933).
13. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. De Wahv vereist niet dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt
Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
14. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Naast de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld, houdt het zaakoverzicht in dat de overtreding met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto’s is vastgelegd, waarbij het voertuig de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht activeert. Op foto 1 is te zien dat het voertuig van de betrokkene zich bij de stopstreep bevindt. Het voor hem bestemde verkeerslicht straalt dan 0,5 seconden rood licht uit. Op foto 2 is het voertuig de stopstreep en het verkeerslicht gepasseerd. Het licht staat dan 2,3 seconden op rood. Op grond van deze foto’s en de daarbij vermelde gegevens kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
15. De aangevoerde gronden treffen geen doel. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.