ECLI:NL:GHARL:2023:9534

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 november 2023
Publicatiedatum
13 november 2023
Zaaknummer
200.327.368/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:13 BWArt. 4:149 lid 1 sub d BWArt. 4:195 BWArt. 4:202 lid 1 onder a BWArt. 4:202 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging benoeming onafhankelijk vereffenaar nalatenschap na beneficiaire aanvaarding

De zaak betreft de afwikkeling van de nalatenschap van een overleden erflater, waarbij de echtgenote en de kinderen uit het eerste huwelijk van erflater betrokken zijn. De echtgenote had de nalatenschap beneficiair aanvaard en was benoemd tot executeur, maar haar taak eindigde van rechtswege. De kinderen verzochten de rechtbank om een onafhankelijk vereffenaar te benoemen, wat werd toegewezen.

De echtgenote ging in hoger beroep tegen deze beschikking en wilde zelf als vereffenaar worden benoemd. Het hof oordeelde dat aan de eerdere beschikking van de kantonrechter gezag van gewijsde toekomt, omdat deze beslissing over de rechtsbetrekking tussen partijen onherroepelijk is geworden. Het hof stelde vast dat de nalatenschap nog niet is vereffend en dat de verhoudingen tussen de erfgenamen gespannen zijn.

Gezien het wantrouwen en de onenigheid tussen partijen was de benoeming van een onafhankelijk vereffenaar gerechtvaardigd. Het verzoek van de echtgenote om zelf vereffenaar te worden afgewezen. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en veroordeelde de echtgenote in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de benoeming van een onafhankelijk vereffenaar en wijst het verzoek van de echtgenote tot eigen benoeming af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer 200.327.368/01
(zaaknummer rechtbank 287574)
Beschikking van 13 november 2023
inzake
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
bij de rechtbank: verweerster,
hierna te noemen:
[verzoekster] ,
advocaat: mr. R.A.A. Maat, kantoorhoudende in Goes,
en

1.[verweerder1] ,

wonende in [woonplaats1] ,
hierna te noemen:
[verweerder1] ,
2.
[verweerder2],
wonende in [woonplaats2] ,
hierna te noemen:
[verweerder2],
verweerders in hoger beroep, verder gezamenlijk te noemen:
[verweerders],
bij de rechtbank: verzoekers,
advocaat: mr. A.C. Kool, kantoorhoudende in Amsterdam.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de notaris],
notaris in [plaats1] ,
hierna te noemen:
[de notaris].

1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 februari 2023.

2.Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 17 mei 2023
- het verweerschrift, ingekomen op 26 juni 2023
- de nagekomen producties 12 tot en met 18 van de zijde van [verweerders] van
13 oktober 2023.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 25 oktober 2023 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon aanwezig geweest, bijgestaan door hun advocaten. Ook was [de notaris] aanwezig.

3.Waar gaat de zaak over?

4. De feiten
Het hof gaat uit van de volgende, tussen partijen vaststaande, feiten.
4.1
[verweerder1] en [verweerder2] zijn kinderen geboren uit het eerste huwelijk van [de erflater] (hierna: erflater). Het eerste huwelijk van erflater is door overlijden van de moeder van [verweerder1] en [verweerder2] ontbonden.
4.2
Erflater is daarna opnieuw gehuwd met [verzoekster] . Bij testament van 24 april 2007 heeft erflater [verweerders] en [verzoekster] benoemd tot zijn enige erfgenamen. [verweerders] gezamenlijk voor 999/1000 gedeelte en [verzoekster] voor 1/1000 gedeelte van de nalatenschap. Erflater is bij testament niet afgeweken van de wettelijke verdeling in artikel 4:13 BW Pro en heeft testamentair [verzoekster] benoemd tot executeur.
4.3
Het huwelijk van erflater en [verzoekster] is ontbonden door het overlijden van erflater
[in] 2021.
4.4
Op 17 februari 2022 heeft [verzoekster] de nalatenschap (beneficiair) aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Tot de nalatenschap behoren onder meer de aandelen in een besloten vennootschap genaamd ` [de vennootschap] B.V.' (hierna: de vennootschap), een kunstcollectie, een woning en een schuld aan [verweerder1] en [verweerder2] in verband met hun erfdeel in de nalatenschap van hun moeder. Op 3 maart 2022 heeft [verzoekster] de benoeming tot executeur aanvaard en heeft zij een zogenoemde 'ruimschootsverklaring' aan [verweerders] afgelegd.
4.5
In een verzoekschrift van 16 maart 2022 hebben [verweerders] de kantonrechter van de rechtbank Overijssel verzocht [verzoekster] te ontslaan van haar taken als executeur. De kantonrechter heeft in haar beschikking van 14 juli 2022 onder meer overwogen:
4.4.
Omdat [verzoekster]als echtgenote van erflater de nalatenschap van erflater beneficiair heeft aanvaard, moet de nalatenschap op grond van artikel 4:202 lid 3 BW Pro worden vereffend volgens de wet, te weten overeenkomstig de bepalingen in Boek 4, Titel 6, Afdeling 3 van het Burgerlijk Wetboek (afd. 4.6.3 BW). Daardoor is de taak van [verzoekster] als executeur van rechtswege geëindigd op grond van artikel 4:149 lid 1 sub d BW Pro.
4.5.
Het bepaalde in artikel 4:202 lid 3 BW Pro is in afwijking van het bepaalde in artikel
4:202 lid 1 onder a BW. Daardoor geldt de laatstgenoemde bepaling niet, ook al is op grond van het testament de executeur bevoegd om de schulden van de nalatenschap te voldoen en hebben [verweerder1] en [verweerder2] niet weersproken dat [verzoekster] een verklaring heeft afgegeven dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om de schulden te voldoen. (…)
4.7.
Nu op grond van het bovenstaande heeft te gelden dat de taak van de executeur van
rechtswege is geëindigd en de nalatenschap moet worden vereffend volgens het bepaalde in
afdeling 4.6.3 BW omdat de [verzoekster] de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, moet
worden teruggevallen op de hoofdregel in artikel 4:195 BW Pro dat alle erfgenamen vereffenaar
zijn. (…). Er is geen op grond van artikel 4:203 BW Pro door de rechtbank benoemde
vereffenaar die in de plaats treedt van de erfgenamen als vereffenaar.
4.6
Dit heeft ertoe geleid dat de kantonrechter het verzoek [verweerders] tot ontslag van [verzoekster] als executeur bij gebrek aan belang heeft afgewezen, omdat haar taken als executeur van rechtswege zijn geëindigd en als gevolg daarvan de erfgenamen gezamenlijk de nalatenschap van erflater moeten vereffenen.
4.7
Vervolgens hebben [verweerders] een verzoekschrift ingediend tot benoeming van een onafhankelijk vereffenaar, dat tot de beschikking heeft geleid waarvan nu beroep is ingesteld. Dat verzoek is door de kantonrechter toegewezen door de benoeming van de notaris [de notaris] als onafhankelijk vereffenaar.

5.De beoordeling

5.1
[verzoekster] heeft drie grieven tegen de beschikking van de rechtbank gericht. De grieven zien op de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot (i) het gezag van gewijsde van de overwegingen van de kantonrechter in haar beschikking van 14 juli 2023, (ii) het niet voltooid zijn van de vereffening en (iii) de benoeming van een derde tot vereffenaar. Subsidiair wil [verzoekster] zelf tot vereffenaar worden benoemd.
Gezag van gewijsde [1]
5.2
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen [2] dat aan de rechtsoverwegingen 4.5 tot en met 4.7 van de beschikking van 14 juli 2022 gezag van gewijsde toekomt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de nalatenschap van erflater moet worden vereffend volgens de wet (artikel 4:202 lid 1 onder Pro a in verbinding met onder c BW). Volgens [verzoekster] is er geen sprake van gezag van gewijsde van genoemde rechtsoverwegingen, onder meer omdat de verzoeken van [verweerders] in die procedure zijn afgewezen en er geen inhoudelijk oordeel is gegeven. Daarnaast voert zij aan dat de rechtbank niet ambtshalve gezag van gewijsde had mogen toepassen, nu geen van partijen zich daarop heeft beroepen.
5.3
In hoger beroep hebben [verweerders] uitdrukkelijk een beroep gedaan op gezag van gewijsde van de betreffende overwegingen, zodat dit laatste punt geen behandeling behoeft.
5.4
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat aan genoemde overwegingen van de kantonrechter gezag van gewijsde toekomt. Op grond van (een analogische toepassing van) artikel 236 Rv Pro komt gezag van gewijsde toe aan beslissingen aangaande de rechtsbetrekking in geschil die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegane beschikking. Vaststaat dat er geen hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van 14 juli 2022, zodat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Daarmee resteert uitsluitend de vraag of sprake is van de rechtsbetrekking in geschil.
5.5
Bij de "rechtsbetrekking in geschil" draait het om de rechtsverhouding tussen partijen, voor zover aan de orde gesteld in het processuele debat. Hier is dat de verdeling van de nalatenschap tussen de drie erfgenamen. De kantonrechter heeft een beslissing genomen die noodzakelijk is om de rechtsverhouding tussen partijen te bepalen, namelijk zij heeft een oordeel gegeven over de vraag door wie de verdeling van de nalatenschap ter hand genomen moet worden. De kantonrechter heeft immers geoordeeld dat door de beneficiaire aanvaarding door [verzoekster] , ook al had zij een 'ruimschootsverklaring' afgelegd, haar taak als executeur van rechtswege was geëindigd. Daarmee waren alle erfgenamen gezamenlijk vereffenaar geworden en was het verzoek om [verzoekster] te ontslaan van haar taken als executeur achterhaald. Dat oordeel, neergelegd in de overwegingen 4.5 tot en met 4.7, is dragend voor de beslissing die door de kantonrechter is genomen. Daarbij is het niet van belang dat die beslissingen niet zijn neergelegd in het dictum, maar (zoals hier) enkel deel uitmaken van de dragende overwegingen die tot dat dictum leiden; ook die dragende overwegingen krijgen gezag van gewijsde als (zoals hier) aan de overige voorwaarden is voldaan.
5.6
Voor zover [verzoekster] heeft betoogd dat de kantonrechter – met haar overweging dat de taak van de executeur van rechtswege is geëindigd en de nalatenschap vereffend moet worden – een verrassingsbeslissing heeft gegeven en partijen niet hebben gedebatteerd over die vraag, faalt dat standpunt. [verzoekster] had tegen die beschikking immers hoger beroep kunnen instellen. Zij had daarbij ook voldoende belang. Weliswaar strekte het dictum tot afwijzing van de verzoeken van [verweerders] In zoverre kreeg [verzoekster] in die procedure wat zij wilde. Die afwijzende beslissing steunde echter op een beoordeling van de kantonrechter van de rechtsverhouding tussen partijen. Die dragende overwegingen kregen ook gezag van gewijsde. De omstandigheid dat die overwegingen voor [verzoekster] ongewenst waren en tevens dragend voor het dictum maken dat [verzoekster] , anders dan zij heeft gesteld, daartegen hoger beroep had kunnen en kennelijk ook behoren in te stellen. Door dat na te laten heeft die vaststelling van de rechtsverhouding door de kantonrechter een voor [verzoekster] onaantastbaar karakter gekregen dat ook in het thans voorliggende geschil tot uitgangspunt strekt. Een ander oordeel zou onvoldoende verenigbaar zijn met de rechtszekerheid.
5.7
Gelet hierop was het uitgangspunt bij aanvang van deze procedure dat zowel [verweerders] als [verzoekster] vereffenaars waren van de nalatenschap.
Vereffening [3]
5.8
Dat de fase van vereffening tot op heden nog niet is voltooid, blijkt onder meer uit het feit dat een behoorlijke boedelbeschrijving ontbreekt en dat nog niet alle schulden zijn voldaan. Partijen verschillen niet alleen over de waarde van de kunstcollectie, maar ook over de overdracht en waarde van de aandelen van de vennootschap en claims van de nalatenschap op [verzoekster] . Daarnaast is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat [verzoekster] het verrekenbeding in de huwelijks voorwaarden waaraan staande het huwelijk nooit uitvoering werd gegeven, alsnog (eenzijdig) wenst toe te passen waardoor een mogelijke claim van haar op de boedel bestaat en is het onduidelijk hoe de kosten van de afwikkeling zijn opgenomen. Tot slot is de omvang van de schuld in het kader van de erfbelasting nog niet vastgesteld.
Vereffenaar
5.9
Ondanks dat in de beschikking van 14 juli 2022 was overwogen dat alle erfgenamen vereffenaar zijn en dat [verzoekster] samen met [verweerders] de nalatenschap moest vereffenen ter voldoening van de schulden zijn partijen hiertoe niet in staat gebleken. Zoals ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is besproken is het onderling wantrouwen groot en is [verzoekster] zonder verder overleg de nalatenschap gaan vereffenen. Dat zij daarbij, na (het in kracht van gewijsde gaan van) de beschikking van de kantonrechter, de aandelen van de vennootschap aan een concurrent van [verweerder1] heeft overgedragen en de licentieovereenkomst van de vennootschap met de vennootschap van [verweerder1] heeft beëindigd, heeft de verhoudingen verder op scherp gezet. In dat licht en vanwege het feit dat de vereffening zo het zich laat aanzien nog enige tijd gaat duren, was de beslissing van de rechtbank om een onafhankelijk vereffenaar te benoemen juist. De verhoudingen tussen de erfgenamen zijn na die beslissing verder verslechterd, zoals blijkt uit de verschillende procedures die worden gevoerd. Het tegenverzoek van [verzoekster] om haar tot enig vereffenaar aan te wijzen is dan ook onbegrijpelijk en zal worden afgewezen.
De slotsom
5.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.11
Het hof zal [verzoekster] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [verweerders] veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep zullen worden vastgesteld op € 343 aan griffierecht en € 2.366 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (tariefgroep II, 2 punten).

5.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van
21 februari 2023;
veroordeelt verzoekster in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van verweerders vastgesteld op € 343 aan griffierecht en op € 2.366 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. Tubben, mr. G. van Rijssen en E.F. Groot en is in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2023. .

Voetnoten

1.Grief I
2.Beschikking 21 februari 2023 rov. 4.5
3.Grief II