In deze zaak stond de vaststelling van een omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige dochter centraal. Na eerdere procedures en rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming, waarbij omgang aanvankelijk werd ontzegd, zijn de ouders het eens geworden over het belang van begeleide omgang. De vader vordert een frequenter contact dan de moeder wenst.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om de omgang te beperken tot minimaal een uur per maand onder begeleiding vanwege de complexe situatie en de emotionele impact op de betrokkenen. Het hof neemt dit advies over en benadrukt het belang van professionele begeleiding voor het contactherstel.
Het hof wijst het verzoek van de vader voor onbegeleide omgang af gezien de nog te verwachten resultaten van de begeleiding en de kwetsbare situatie van de moeder en dochter. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de omgang werd afgewezen, en de omgangsregeling wordt vastgesteld met een minimale frequentie van een uur per maand begeleid contact.