Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2023:9291

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 oktober 2023
Publicatiedatum
2 november 2023
Zaaknummer
21-003436-21
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 167 SvArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs omkoping, oplichting en valsheid in geschrift

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland waarin verdachte was vrijgesproken van actieve omkoping, oplichting en valsheid in geschrift. Het openbaar ministerie had hoger beroep ingesteld en eiste een taakstraf van 90 uur, subsidiair 45 dagen hechtenis.

De verdediging voerde onder meer aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat anderen die vergelijkbare feiten hadden gepleegd niet vervolgd werden. Het hof oordeelde dat het openbaar ministerie discretionair bevoegd is tot vervolging en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren om niet-ontvankelijkheid vast te stellen.

Na beoordeling van het dossier, waaronder e-mail- en Whatsappberichten en facturen, concludeerde het hof dat deze niet het wettig en overtuigend bewijs leverden voor de tenlastegelegde feiten. Hoewel het handelen van verdachte bedenkelijk was, was het onvoldoende voor een veroordeling.

Het hof bevestigde daarom het vonnis van de rechtbank en sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van actieve omkoping, oplichting en valsheid in geschrift wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003436-21
Uitspraak d.d.: 31 oktober 2023
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 15 juli 2021 met parketnummer 18-820085-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 oktober 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. W.J. Ausma, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota, die aan het proces-verbaal van de terechtzitting is gehecht. Daarin is onder meer het standpunt ingenomen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard, omdat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat [bedrijf 2] en [directeur bedrijf 2] zijn vervolgd voor nagenoeg dezelfde feiten, gepleegd in dezelfde periode, maar dat het openbaar ministerie het hoger beroep in deze zaken heeft ingetrokken.
Vooropgesteld moet worden dat het openbaar ministerie op grond van artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering een discretionaire bevoegdheid heeft om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om al dan niet tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijk toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor het oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging wegens strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde. De enkele omstandigheid dat anderen van wie aanwijzingen bestaan dat zij zich aan een vergelijkbaar strafbaar feit schuldig hebben gemaakt niet zijn vervolgd, staat er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.
Het hof neemt dit beoordelingskader, dat ook geldt in het onderhavige geval waarin de vervolging is gestaakt door de intrekking van het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep tegen de vrijspraak in eerste aanleg, tot uitgangspunt en oordeelt dat van een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld in de onderhavige zaak niet is gebleken. Het hof heeft bij zijn afweging ook de door de advocaat-generaal ter terechtzitting gegeven uitleg voor de beslissing tot intrekking c.q. handhaving van het hoger beroep in de verschillende zaken in aanmerking genomen. Het openbaar ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 15 juli 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en goede gronden heeft beslist, zodat het vonnis waarvan beroep, met overneming van gronden zal worden bevestigd. In aanvulling op het vonnis van de rechtbank overweegt het hof het volgende.

Aanvullende overwegingen

De behandeling in hoger beroep geeft geen aanleiding om anders dan de rechtbank te oordelen. Het hof kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de inhoud van de inhoud van diverse e-mailberichten en Whatsappberichten in het dossier te denken geeft en dat verdachte bij bepaalde zaken wellicht vraagtekens had kunnen en moeten plaatsen, maar de inhoud van deze berichten levert niet het wettig en overtuigend bewijs voor omkoping op. De rechtbank heeft op dit onderdeel een juiste afweging gemaakt.
Met betrekking tot de in een later stadium opgemaakte facturen is het hof ook van oordeel dat het handelen van verdachte eveneens als nauwelijks navolgbaar en bedenkelijk is neer te zetten, maar ook dit levert niet het wettig en overtuigend bewijs voor valsheid in geschrift op. De rechtbank heeft in haar vonnis ook ten aanzien van dit feit een juiste afweging gemaakt.
Het hof zal het vonnis daarom bevestigen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. A. Meester, voorzitter,
mr. J. Dolfing en mr. E.C.M. Wolfert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.E. van Zalen, griffier,
en op 31 oktober 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.