ECLI:NL:GHARL:2023:9089

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 oktober 2023
Publicatiedatum
26 oktober 2023
Zaaknummer
Wahv 200.326.227/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, tweede lid, WahvArt. 11 WahvArtikel 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende bewijs door rood rijden

Betrokkene kreeg een sanctie van €170 opgelegd voor het door rood rijden op 13 juni 2021 in Gouda. De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. In hoger beroep betoogt de gemachtigde dat de ambtenaren niet konden zien welke kleur het verkeerslicht had en dat de gedraging niet voldoende is vastgesteld.

Het hof overweegt dat de ambtenaren geen rechtstreeks zicht hadden op het verkeerslicht dat betrokkene passeerde. Hoewel zij zelf al groen licht hadden en ander verkeer wachtte, is dit onvoldoende om de gedraging te bewijzen. Er had nader onderzoek moeten plaatsvinden naar de werking van de verkeersregelinstallatie, wat niet is gebeurd.

De verklaring van betrokkene na staandehouding kan niet worden gebruikt omdat geen cautie was gegeven. Het dossier biedt onvoldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. Daarom wordt de sanctiebeschikking vernietigd en de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.284,75.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens door rood rijden wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.326.227/01
CJIB-nummer
: 241916956
Uitspraak d.d.
: 26 oktober 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 10 februari 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 170,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 juni 2021 om 20.28 uur op de Joubertstraat in Gouda met de bromfiets met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de ambtenaar niet heeft kunnen zien welke kleur het voor betrokkene geldende verkeerslicht uitstraalde. Voor het vaststellen van de gedraging is dat wel vereist. De gedraging kan niet worden vastgesteld.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag genoemd persoon op genoemd ddt (het hof begrijpt: datum en tijd) rijden op een scooter met genoemd kenteken. Ik reed op de zuidelijke Zwarteweg richting Jouberstraat voor toezicht Gouda en omgeving samen met college [naam1] . Toen we de kruising met de Karnemelksloot/Voorwillensweg naderden stond ons verkeerslicht op groen. Met (het hof begrijpt: op het moment) dat we de kruising naderden zagen we genoemde scooter van rechts komen en vervolgens rechtsaf de Jouberstraat oprijden. We zagen dat voor het verkeerslicht dat hij daarmee passeerde auto’s en fietsers keurig stonden te wachten. Omdat wij op dat moment groen verkeerslicht hadden om de Jouberstraat in te rijden moet de genoemde bestuurder met zijn scooter door rood licht zijn gereden. Na staandehouding hoorde ik hem zeggen dat hij nooit door een rood verkeerslicht reed en dat dit de eerste keer was dat hij dat wel deed.(…)
Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: geen verklaring.”
5. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar onder meer verklaart:
“Ondanks het feit dat wij het rode verkeerslicht op de Karnemelksloot niet konden zien blijven we achter de verklaring staan zoals weergegeven in de bekeuring. De tijd dat we een groen verkeerslicht hadden richting de Jouberstraat is voldoende om te concluderen dat meneer [de betrokkene] het rode verkeerslicht heeft genegeerd om er vervolgens door te rijden.
Toen wij met ons dienstvoertuig richting de Jouberstraat de kruising Karnemelksloot/Voorwillenseweg naderden stond ons verkeerslicht al meerdere seconden op groen terwijl we de kruising nog naderden. Fietsers en auto’s stonden op dat moment op de Karnemelksloot richting de Voorwillenseweg te wachten voor het verkeerslicht omdat wij richting de Jouberstraat een groen verkeerslicht hadden. Gezien de tijd dat ons verkeerslicht op groen stond zoals we konden zien moet de wachtende op de Karnemelksloot een rood verkeerslicht hebben gehad.
Wij kregen dus geen groen licht maar hadden dat al toen we de kruising naderden. Omdat verbalisant [naam2] meerdere keren per week privé per fiets dezelfde kruising passeert heeft hij voldoende ervaring aldaar om deze conclusie te trekken en achtten wij nader onderzoek niet nodig.
Bovendien verklaarde meneer [de betrokkene] na staandehouding dat hij nooit door een rood verkeerslicht rijdt en dat dit de eerste keer was dat hij het wel deed.”
6. Voor de vaststelling van de gedraging kan geen gebruik worden gemaakt van de verklaring die de betrokkene ter gelegenheid van de staandehouding heeft afgelegd, nu niet is gebleken dat hem voorafgaand daaraan de cautie gegeven is. Uit de verklaringen van de ambtenaar blijkt dat de ambtenaren niet rechtstreeks zicht hadden op het verkeerslicht dat de betrokkene passeerde. Voor het opleggen van de onderhavige sanctie is dat ook niet vereist. Wel moet hetgeen de ambtenaar omtrent diens waarneming verklaart, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de betrokkene is doorgereden bij het rode licht. Naar het oordeel van het hof is dat hier niet het geval. Dat de ambtenaren zelf al enkele seconden groen licht hadden en dat ander verkeer naast de betrokkene bleef staan is onvoldoende. Het had op de weg van de ambtenaren gelegen om onderzoek te doen naar de (juiste) werking van de verkeersregelinstallatie ten tijde van de gedraging. Dat hebben ze niet gedaan. Het dossier biedt onvoldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. De inleidende beschikking kan dan ook niet in stand blijven.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.284,75 (= (1,5 x € 597,- x 0,5) + (2 x € 837,- x 0,5).
8. Het voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.284,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.