Verdachte werd in hoger beroep geconfronteerd met twee tenlasteleggingen: het telen van een grote hoeveelheid hennep en het stelen van elektriciteit. Het hof sprak verdachte vrij van de diefstal van elektriciteit wegens onvoldoende bewijs.
Ten aanzien van de hennepteelt achtte het hof verdachte wettig en overtuigend schuldig. Dit oordeel baseerde het hof op verklaringen van een medeverdachte, proces-verbaal van de politie, en verklaringen van een getuige die bevestigden dat verdachte betrokken was bij het opzetten en onderhouden van de hennepkwekerij in een pand dat formeel door medeverdachte werd gehuurd. Verdachte had zelf verklaard niet op de hoogte te zijn, maar dit werd door het hof niet geloofd.
Het hof nam ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee, waaronder zijn huidige stabiele situatie en mantelzorgtaken. Gezien de ernst van het feit en eerdere veroordelingen legde het hof een taakstraf van 100 uur op, met een subsidiaire hechtenisstraf van 50 dagen.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht, waarbij verdachte werd vrijgesproken van diefstal elektriciteit en veroordeeld voor hennepteelt in vereniging.