In deze civiele familierechtelijke zaak zijn de ouders van twee minderjarige kinderen in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland over het ouderlijk gezag en de omgangsregeling.
De vader, woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, verzocht om gezamenlijk gezag en vervangende toestemming voor verhuizing van de kinderen naar het Verenigd Koninkrijk. De moeder, woonachtig in Nederland, had tot dan toe het gezag alleen. De rechtbank had het gezag gezamenlijk vastgesteld en een omgangsregeling met verblijven en videocontacten bepaald.
Het hof oordeelde dat de ouders onvoldoende in staat zijn om constructief samen te werken, mede door de afstand en communicatieproblemen. Daarom wordt het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag afgewezen en blijft de moeder alleen met het gezag belast. De omgangsregeling is aangepast in overleg tussen partijen met driewekelijkse videocontacten en streven naar tweejaarlijkse bezoeken, waarbij ook afspraken zijn gemaakt over reizen en verblijfskosten.
Het hof wijst het verzoek van de vader om dwangsommen op te leggen af, omdat dit de verhoudingen niet ten goede komt. De hoofdverblijfplaats blijft bij de moeder. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.