ECLI:NL:GHARL:2023:7234

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 augustus 2023
Publicatiedatum
29 augustus 2023
Zaaknummer
21-003705-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 SvArt. 315 SvArt. 415 SvArt. 149a SvArtikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op onderzoekswensen in hoger beroep onderzoek Vidar betreffende criminele burgerinfiltrant

In het hoger beroep van het onderzoek Vidar, waarin verdachte is veroordeeld voor betrokkenheid bij de voorbereiding van harddrugsuitvoer, witwassen, deelname aan een criminele organisatie en wapenbezit, heeft de verdediging diverse onderzoekswensen geuit. Deze betroffen het opnieuw horen van de criminele burgerinfiltrant en leden van het team WOD, alsmede het toevoegen van aanvullende stukken over de inzet van de burgerinfiltrant.

Het hof heeft vastgesteld dat deze getuigen reeds uitvoerig in eerste aanleg zijn gehoord in aanwezigheid van de toenmalige raadsman, waarbij de verdediging de mogelijkheid tot ondervraging heeft benut. Het aangehaalde rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid betrof personeelsbeleid en is niet relevant voor de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal in deze strafzaak.

Ook het verzoek tot toevoeging van aanvullende stukken is afgewezen, omdat de verdediging niet concreet heeft onderbouwd welke stukken ontbreken en waarom deze noodzakelijk zijn voor de volledigheid van het onderzoek. Het hof concludeert dat er geen noodzaak bestaat tot het opnieuw horen van getuigen of het toevoegen van stukken, en dat de procedure voldoet aan het recht op een eerlijk proces.

Het onderzoek wordt heropend onder schorsing en zal worden hervat op een nader te bepalen datum. De verdachte zal tijdig worden opgeroepen voor de vervolgzitting.

Uitkomst: Het hof wijst de verzoeken tot het opnieuw horen van getuigen en het toevoegen van stukken af wegens gebrek aan noodzaak en voldoende eerdere ondervraging.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003705-22
Uitspraak d.d.: 29 augustus 2023
Tussenarrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 augustus 2022 met parketnummer 18-750011-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

Deze zaak maakt deel uit van het onderzoek Vidar. De ten laste gelegde feiten houden verband met de (voorbereiding van) uitvoer van harddrugs, witwassen, deelname aan een criminele organisatie en wapenbezit. In het onderzoek Vidar is een criminele burgerinfiltrant ( A-4110 ) ingezet. Verdachte is bij vonnis van 17 augustus 2022 veroordeeld en verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. In hoger beroep zijn naast de zaak van verdachte de zaken van 13 medeverdachten aan de orde.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft in het kader van een voortvarende regiebehandeling schriftelijke rondes gelast. Hierbij is gebleken dat een deel van de raadslieden prijs stelde op de mogelijkheid om op een regiezitting een mondelinge toelichting op de onderzoekswensen te geven. In de zaken van een vijftal verdachten is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt op de regiezittingen van 4 en 10 juli 2023. In alle zaken met onderzoekswensen hebben daarnaast volledig schriftelijke rondes plaatsgevonden. Met de advocaat-generaal en de verdediging is afgestemd dat bij tussenarrest op die onderzoekswensen zal worden beslist en dat deze tussenarresten op 29 augustus 2023 ter openbare zitting zullen worden uitgesproken.
Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van de schriftelijke regiebehandeling en de daarin uitgewisselde standpunten en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is formeel gesloten op 29 augustus 2023.
Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van:
  • de appelschriftuur van de raadsman van verdachte, mr. J. Boksem, van 1 september 2022;
  • het standpunt van de advocaat-generaal
  • het standpunt van de verdediging van 21 april 2023; en
  • het standpunt van de advocaat-generaal van 4 mei 2023.

Onderzoekswensen

De verdediging heeft bij appelschriftuur de volgende onderzoekwensen geuit:
het horen van de getuigen:
1. A-4110 ; en
2. de leden van het team WOD, die betrokken waren bij A-4110 ( B-2820 , B-2821 en B-2992 ).
Aanvullend heeft de raadsman op 21 april 2023 daar nog het volgende verzoek aan toegevoegd:
overige verzoeken:
3. Toevoeging aan het dossier van alle verslagen, processen-verbaal en andere stukken (inclusief stukken die betrekking hebben op het WOD-traject en die niet aan het dossier zijn toegevoegd) die betrekking hebben op de inzet van de criminele burgerinfiltrant.
Er zal volledige openheid en transparantie moeten komen ten aanzien van de inzet van A4110 , aldus de verdediging. Alleen dan kan getoetst worden of deze inzet rechtmatig was en de resultaten hiervan betrouwbaar. Alle verslagen, processen-verbaal en andere stukken (inclusief stukken die betrekking hebben op het WOD-traject en die niet aan het dossier zijn toegevoegd) zullen kritisch tegen het licht gehouden moeten worden.
De verdediging wil bovendien onderzocht hebben of (en in hoeverre) het gebrekkige functioneren van het Team WOD – zoals dat volgens de verdediging volgt uit het rapport ‘Onderzoek naar de taakuitvoering bij de Landelijke Eenheid’ van de Inspectie Justitie en Veiligheid van 25 januari 2022 – invloed heeft gehad op het onderzoek en op de resultaten van het onderzoek Vidar.
Het onderzoek door de raadsheer-commissaris zal volgens de verdediging met name erop gericht moeten zijn vast te stellen in hoeverre het slechte functioneren van het WOD-team invloed heeft gehad op de aansturing van A-4110 , op de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal en de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging. Er moet worden gekeken naar de aanvang van het traject, de toezeggingen die aan A-4110 zijn gedaan, de afspraken die met hem zijn gemaakt over beloning dan wel strafkorting, de activiteiten die plaatsvonden buiten de afspraken om, de controle op de inzet van A-4110 , de verslaglegging (en wat niet werd vastgelegd) en de rol van A-4110 bij de tenlastegelegde feiten. Nu de getuigen B-2820 , B2821 , B-2992 en A-4110 niet in alle opzichten open, transparant en controleerbaar zijn geweest in hun in eerste aanleg afgelegde verklaringen, is er een zwaarwegend verdedigingsbelang en een noodzaak (gelet op het belang van de waarheidsvinding) dat zij opnieuw worden gehoord, aldus de verdediging.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot het horen van de getuigen onder 1 en 2 dient te worden afgewezen, nu deze getuigen in eerste aanleg bij de rechter-commissaris in het bijzijn van de toenmalige kantoorgenoot van de raadsman zijn gehoord. Het belang van het andermaal horen van deze getuigen is niet onderbouwd. Daarnaast ziet het rapport van de Inspectie van Veiligheid en Justitie waar de raadsman naar verwijst niet op misstanden die de strafvordering raken, maar veeleer op werkgeversaangelegenheden rondom de inzet van de politiële infiltrant. In deze strafzaak gaat het om een criminele burgerinfiltrant, zodoende is het rapport niet van toepassing op deze zaak.
Het verzoek tot het toevoegen van stukken aan het dossier die betrekking hebben op de inzet van A-4110 (verzoek onder 3), dient volgens de advocaat-generaal te worden afgewezen. De verdediging suggereert dat verslagen, processen-verbaal en andere stukken niet aan het dossier zijn toegevoegd, maar heeft dit niet concreet onderbouwd. Alle stukken die van belang zijn om de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van de inzet van A-4110 te kunnen toetsen maken al deel uit van het dossier.

Beoordeling van de verzoeken door het hof

Criterium
Het hof stelt vast dat de getuigen onder 1 en 2 reeds in eerste aanleg door een rechtercommissaris is in het bijzijn van de verdediging zijn gehoord. Om die reden heeft het hof de getuigenverzoeken getoetst aan de hand van het noodzaakcriterium. Ten aanzien van het verzoek onder 3 geldt eveneens het noodzaakcriterium.
Oordeel van het hof
Het hof beslist als volgt op de onderzoekswensen van de verdediging.
het horen van de getuigen:
1.
A-4110
2.
De leden van het team WOD, die betrokken waren bij A-4110 ( B-2820 , B-2821 en B-2992 )
Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat deze verzoeken dienen te worden afgewezen. De verdediging heeft haar ondervragingsrecht kunnen uitoefenen. Deze getuigen zijn al gehoord bij de rechtercommissaris.
A-4110 is uitvoerig gehoord en wel op 29 april 2021, 30 april 2021, 21 mei 2021, 21 september 2021 en 23 september 2021. Ten aanzien van de verhoren in april en mei 2021 heeft dit geresulteerd in een proces-verbaal van verhoor van 47 pagina’s en wat de verhoren in september betreft in een procesverbaal van verhoor van 15 pagina’s. De toenmalige kantoorgenoot van de raadsman, mr. Stoeten, was bij deze verhoren aanwezig. De verdediging van verdachte heeft zodoende de gelegenheid gehad tot het stellen van vragen en heeft ook daadwerkelijk van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
De WOD-begeleiders van A-4110 , B-2820 , B-2821 en B-2992 , zijn ook uitvoerig gehoord. B-2820 is gehoord op 4 juni 2021, B-2821 is gehoord op 11 juni 2021 en 15 september 2021 en B-2992 is gehoord op 17 juni 2021. Ten aanzien van het verhoor van B-2820 heeft dit geresulteerd in een proces-verbaal van verhoor van 29 pagina’s, wat de verhoren van B-2821 betreft in een proces-verbaal van verhoor van 21 pagina’s en bij het verhoor van B-2992 in een proces-verbaal van 9 pagina’s. De toenmalige kantoorgenoot van de raadsman, mr. Stoeten, was ook bij deze verhoren aanwezig. De verdediging van verdachte heeft zodoende de gelegenheid gehad tot het stellen van vragen en heeft ook daadwerkelijk van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
Het hof ziet in de door de verdediging gegeven onderbouwing geen noodzaak tot het opnieuw horen van deze getuigen onder 1 en 2. Het hof ziet daarnaast ook niet vanwege een andere reden de noodzaak tot het opnieuw horen van deze getuigen. De vragen die de verdediging aan de getuigen wenst te stellen zijn in wezen al tijdens de verhoren bij de rechtercommissaris aan de orde gekomen. Het door de raadsman aangehaalde rapport van de Inspectie Veiligheid en Justitie maakt dit niet anders, nu dit rapport en de kritische opmerkingen daarin vooral zien op het personeelsbeleid ten aanzien van de politiële infiltranten die (onder andere) bij de afdeling WOD werken. Het rapport ziet niet zozeer op (de betrouwbaarheid van) het resultaat van de werkzaamheden van de politieambtenaren en de gevolgen hiervan voor de strafrechtelijke onderzoeken en in ieder geval niet op de concrete inzet van de afdeling WOD in het onderzoek Vidar. Voor de situatie dat een dergelijke situatie zich in het onderzoek concreet heeft voorgedaan heeft het hof geen aanknopingspunten in het dossier gevonden. Het rapport van de Inspectie maakt derhalve niet dat de getuigen opnieuw moeten worden gehoord.
Er is, alles afwegende, sprake geweest van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid en de procedure voldoet in haar geheel aan het door artikel 6 Europees Pro Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

Het hof wijst deze verzoeken af.

overige verzoeken:
3.
Toevoeging aan het dossier van alle verslagen, processen-verbaal en andere stukken (inclusief stukken die betrekking hebben op het WOD-traject en die niet aan het dossier zijn toegevoegd) die betrekking hebben op de inzet van de criminele burgerinfiltrant.
Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat dit verzoek dient te worden afgewezen. Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van stukken bij de processtukken is op grond van de artikelen 315, eerste lid, Sv juncto 415 Sv of de noodzaak daartoe is gebleken met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Bij het nemen van een beslissing hierover dient de rechter in aanmerking te nemen dat op grond van artikel 149a, tweede lid, Sv in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat hierbij om de relevantie van die stukken. [2]
Van de verdediging mag worden verwacht dat zij een verzoek aan de rechter om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf stukken aan de processtukken toe te voegen in voldoende concrete mate onderbouwt, in die zin dat van stukken waarvan toevoeging wordt gevraagd in ieder specifiek geval in voldoende mate duidelijk wordt gemaakt waarom toevoeging van dat stuk noodzakelijk is. Een algemene toelichting met de strekking dat in het verzochte stuk mogelijkerwijs relevante informatie is te vinden, is in dit verband doorgaans onvoldoende.
Het hof ziet in de door de verdediging gegeven onderbouwing geen noodzaak tot
het toevoegen van de verzochte stukken met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Hierbij betrekt het hof de omstandigheid dat de verdediging stelt dat er stukken zijn die betrekking hebben op het WOD-traject die niet aan het dossier zijn toegevoegd, maar niet nader benoemt niet welke stukken dit zijn en ook niet motiveert waarom toevoeging van bepaalde concrete stukken noodzakelijk is. Het hof ziet ook niet vanwege een andere reden de noodzaak tot het voegen van de gevraagde stukken aan het dossier.

Het hof wijst dit verzoek af.

BESLISSING

Het hof:
heropent het onderzoek onder gelijktijdige schorsing daarvan;

wijst af de volgende verzoeken:

het horen van de getuigen:
1. A-4110 ; en
2. de leden van het team WOD, die betrokken waren bij A-4110 ( B-2820 , B-2821 en B-2992 );
overige verzoeken:
3. toevoeging aan het dossier van alle verslagen, processen-verbaal en andere stukken (inclusief stukken die betrekking hebben op het WOD-traject en die niet aan het dossier zijn toegevoegd) die betrekking hebben op de inzet van de criminele burgerinfiltrant;
bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting;
beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de verdachte, mr. J. Boksem.
Aldus gewezen door
mr. J. Dolfing, voorzitter,
mr. L.T. Wemes en mr. T.H. Bosma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,
en op 29 augustus 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.De advocaten-generaal mrs. I.A.H.M. Schepers en P.M. van der Spek zijn in hoger beroep als advocaten-generaal verbonden aan het onderzoek Vidar en hebben namens het openbaar ministerie in de schriftelijke ronde standpunten ingenomen ten aanzien van de onderzoekswensen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting van het hof van 4 en 10 juli 2023 vertegenwoordigd door de advocaatgeneraal mr. I.A.H.M. Schepers. Omwille van de leesbaarheid is in het vervolg van het arrest telkens voor ‘advocaat-generaal’ in enkelvoud gekozen.
2.Hoge Raad 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:218.