Verdachte werd door de rechtbank veroordeeld voor medeplegen van witwassen waarbij ongeveer €250.000 op zijn bankrekening werd ontvangen, afkomstig uit oplichting van een drankengroothandel. Hij gebruikte dit bedrag onder meer voor de aankoop van goudstaven. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht.
De advocaat-generaal vorderde een ontnemingsbedrag van €252.713,10, gelijk aan het wederrechtelijk verkregen voordeel. Verdachte stelde dat het bedrag te hoog was en dat de aankoop van goud als kosten moest worden afgetrokken, waardoor het voordeel zou dalen tot circa €40.000 tot €50.000. Het hof achtte deze verklaringen ongeloofwaardig en concludeerde dat het gehele bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel moest worden beschouwd.
Het hof oordeelde dat verdachte en een medeverdachte een constructie hadden opgezet om geld wit te wassen, waarbij verdachte uiteindelijk over het volledige bedrag kon beschikken. De aankoop van goudstaven werd gezien als een omzetting van het voordeel, niet als kosten.
Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn werd de betalingsverplichting met €5.000 verminderd, waardoor de ontnemingsvordering op €247.713,10 werd vastgesteld. De medeverdachte werd vrijgesproken, waardoor de volledige betalingsverplichting op verdachte rust.
Het hof legde de verplichting tot betaling aan de Staat op en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen.