Appellant, voormalig vennoot van een vennootschap onder firma, verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) na faillietverklaring. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek.
Appellant voerde aan dat hij na het vertrek van zijn medevennoot alles had gedaan om de onderneming te redden, maar door de coronacrisis en het ontbreken van financiële middelen was dat niet gelukt. Hij leefde van een WIA-uitkering en had hulp gezocht bij de Stadsbank. De schuldenlast bedroeg ruim €185.000, maar de schuldenlijsten van appellant en curator verschilden aanzienlijk, waardoor onvoldoende inzicht bestond in de exacte omvang en oorsprong van de schulden.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende inzicht had gegeven in zijn schuldenlast en dat hij de onderneming te lang had voortgezet ondanks verlies en onbetaalde schulden. Hierdoor kon zijn goede trouw niet worden aangenomen. Het hof achtte het aannemelijk dat appellant hulp nodig heeft bij het ordenen van zijn financiële situatie en dat het plan tot beschermingsbewind een goede eerste stap is. Het hoger beroep faalde en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.