Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de vraag centraal of de kinderrechter terecht een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige had verleend. De minderjarige was geboren in 2007 en woonde voorheen bij haar moeder. Sinds de uithuisplaatsing was er geen contact meer tussen hen.
Het hof baseerde zich op twee psychologische rapporten: een familierechtelijk psychologisch onderzoek van de minderjarige en een forensisch psychologisch onderzoek van de moeder. Beide rapporten concludeerden dat thuisplaatsing niet in het belang van de minderjarige is vanwege de grote kloof tussen het ouderschap van de moeder en de psychische problematiek van de minderjarige. De voorkeur ging uit naar voortzetting van de huidige gezinshuisplaatsing, waar de minderjarige zich veilig voelt en de benodigde zorg ontvangt.
Hoewel de machtiging oorspronkelijk voor een bepaalde periode was verleend, oordeelde het hof dat de moeder een rechtens relevant belang heeft om de rechtmatigheid van die machtiging te laten toetsen. Het hof stelde vast dat de moeder niet in staat is de noodzakelijke zorg en opvoeding te bieden en dat hulpverlening dit niet kan veranderen. De moeder heeft zich neerlegd bij deze uitkomst en is bereid mee te werken aan contactherstel met de minderjarige.
Het hof concludeerde dat zonder uithuisplaatsing de continuïteit van de verzorging en opvoeding van de minderjarige niet gewaarborgd is. Daarom werd de beschikking van de kinderrechter van 22 april 2021 bekrachtigd, waarmee de machtiging tot uithuisplaatsing gehandhaafd blijft.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt bekrachtigd en gehandhaafd.