Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2005 in Turkije gehuwd en hebben zowel de Turkse als Nederlandse nationaliteit. De vrouw diende in 2020 een verzoek tot echtscheiding in. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en bepaalde de verdeling van de tijdens het huwelijk verworven vermogensbestanddelen, waaronder twee woningen en twee auto's.
In hoger beroep streden partijen over de financiële afwikkeling van de woningen en auto's. Het hof bevestigde de Nederlandse rechterlijke bevoegdheid en stelde vast dat Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime tot 24 maart 2011, en Nederlands recht daarna. De woningen werden tijdens het huwelijk verkregen en de verkoopopbrengsten behoorden tot het vermogen van de man op de peildatum.
De vrouw had recht op de helft van de netto verkoopopbrengst van de woningen, na aftrek van hypothecaire leningen en toevoeging van beleggingsverzekeringen. De man voerde aan dat de opbrengsten waren besteed aan vakanties, huishoudelijke uitgaven en aflossingen van leningen, maar het hof vond zijn bewijs onvoldoende onderbouwd. Ook de man moest aan de vrouw €63.361,30 betalen. Voor de auto's bepaalde het hof dat de man aan de vrouw €4.174,38 moest betalen, rekening houdend met verkoopwaarden en gebreken.
De bestreden beschikking werd op deze punten vernietigd en aangevuld, met compensatie van proceskosten tussen partijen.
Uitkomst: De man moet aan de vrouw €63.361,30 betalen voor de woningen en €4.174,38 voor de auto's.