ECLI:NL:GHARL:2023:5959

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 juli 2023
Publicatiedatum
13 juli 2023
Zaaknummer
200.323.883
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:449 lid 2 BWArt. 1:432 lid 1 BWArt. 1:432 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging voortzetting bewind wegens nieuwe schulden en onvoldoende financiële zelfstandigheid

Verzoeker heeft bij de kantonrechter verzocht om opheffing van het bewind dat in 2016 wegens verkwisting of problematische schulden over zijn vermogen was ingesteld. De kantonrechter wees dit verzoek af en het hof bevestigt deze beslissing in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat hij zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig en behoorlijk kan behartigen. Ondanks zijn verklaring dat hij schuldenvrij is en financiële hulp krijgt van zijn echtgenote, zijn er nieuwe schulden ontstaan zonder overleg met de bewindvoerder, waaronder leningen voor een reis en onbetaalde rekeningen.

De bewindvoerder heeft daarnaast onweersproken gesteld dat verzoeker structureel niet kan rondkomen van zijn maandelijkse leefgeld, wat volgens het hof essentieel is voor financiële zelfstandigheid. Ook is onduidelijk in hoeverre de echtgenote kan bijdragen aan het beheer van de financiën, mede doordat zij weigert contact met de bewindvoerder te onderhouden.

Een huurachterstand die verzoeker aan de bewindvoerder toeschrijft, blijkt te zijn veroorzaakt door een noodsituatie waarbij de bewindvoerder het vliegticket betaalde en de achterstand later is ingelopen. Dit is door verzoeker niet betwist.

Gelet op deze omstandigheden acht het hof het noodzakelijk en zinvol dat het bewind wordt voortgezet en bekrachtigt het de beschikking van de kantonrechter.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter en wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.323.883
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10186172)
beschikking van 13 juli 2023
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. A.C. Koekkoek te Veenendaal.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de bewindvoerder] , h.o.d.n. [naam1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen: de bewindvoerder,
en
[de echtgenote],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de echtgenote.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 februari 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
[verzoeker] heeft een beroepschrift ingediend dat op 9 maart 2023 door het hof is ontvangen.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 15 juni 2023 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- [verzoeker] , met zijn advocaat; en
- de bewindvoerder.

3.De feiten

3.1
[verzoeker] is geboren [in] 1965 in [plaats1] (Marokko).
3.2
Bij beschikking van 31 maart 2016 heeft de kantonrechter wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden een bewind ingesteld over de goederen van [verzoeker] . [de bewindvoerder] is benoemd tot bewindvoerder.
3.3
[verzoeker] heeft op 28 oktober 2022 aan de kantonrechter verzocht om het bewind op te heffen. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter dit verzoek afgewezen.

4.De omvang van het geschil

4.1
[verzoeker] is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. [verzoeker] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek tot opheffing van het bewind toe te wijzen.
4.2
De bewindvoerder voert verweer en hij verzoekt het hof het verzoek van [verzoeker] af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.3
Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen.

5.De motivering van de beslissing

de wet

5.1
De kantonrechter kan zelf, op verzoek van de bewindvoerder of degene die het recht heeft om onderbewindstelling te verzoeken, het bewind opheffen wanneer de noodzaak niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet meer zinvol is (artikelen 1:449 lid 2 en 432 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek).
oordeel hof
5.2
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter om het bewind te laten bestaan, moet blijven gelden. Hierna zal het hof uitleggen waarom het hof het eens is met de beslissing van de kantonrechter.
5.3
Het hof is net als de kantonrechter van oordeel dat [verzoeker] niet goed heeft kunnen onderbouwen dat hij voldoende in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. [verzoeker] heeft weliswaar op de zitting verklaard dat er geen schulden meer zijn, dat hij inmiddels heeft geleerd om verstandige financiële keuzes te maken en dat hij daarbij geholpen wordt door zijn echtgenote, toch komt het hof tot een ander oordeel. Er is onweersproken door de bewindvoerder gesteld dat er door toedoen van [verzoeker] nieuwe schulden zijn ontstaan. Op verzoek van [verzoeker] heeft de bewindvoerder geld naar hem overgemaakt omdat hij zelf wil sparen. Dit geld bleek vervolgens niet meer aanwezig toen de jaarafrekening van de energiemaatschappij moest worden betaald. Ook is er door [verzoeker] zonder overleg met de bewindvoerder een lening afgesloten voor een reis naar Marokko. Het resultaat hiervan is dat er twee nieuwe schulden zijn ontstaan, die op dit moment nog worden afbetaald. Een andere lening die door [verzoeker] zonder overleg met de bewindvoerder was aangevraagd, heeft de bewindvoerder geweigerd toen zijn medewerking werd gevraagd. Ook dit laatste wordt niet door [verzoeker] weersproken. Daarnaast voert de bewindvoerder onweersproken aan dat [verzoeker] structureel niet van zijn maandelijkse leefgeld rond kan komen. Het wel rondkomen van dit leefgeld zou volgens de bewindvoerder de eerste stap naar financiële zelfstandigheid moeten zijn. Onder de huidige omstandigheden verwacht de bewindvoerder dat bij het opheffen van het bewind er binnen een half jaar weer nieuwe schulden bij komen. In hoeverre de echtgenote van [verzoeker] in staat is om te helpen bij de financiën blijft voor het hof onduidelijk. [verzoeker] stelt weliswaar dat zijn echtgenote hoog opgeleid is en daarmee volgens hem capabel, maar hij vertelt ook dat zij weigert om contact te hebben met de bewindvoerder voor enig overleg. Het is daarmee niet mogelijk om haar mogelijkheden om [verzoeker] te kunnen helpen met zijn financiën in te schatten.
5.4
[verzoeker] verklaart daarnaast dat hij geen vertrouwen meer heeft in de bewindvoerder omdat er een huurachterstand zou zijn ontstaan. De bewindvoerder verklaart dat de huur inderdaad een keer niet kon worden voldaan omdat de echtgenote van [verzoeker] acuut naar Marokko moest en dat daarvoor een vliegticket betaald moest worden. [verzoeker] kon dit ticket niet betalen van het (spaar)geld dat de bewindvoerder aan hem had overgemaakt, waardoor de bewindvoerder het vliegticket van de door hem beheerde bewindrekening heeft voldaan. Hierdoor kon de huur op dat moment niet meer betaald worden. Dit is op een later moment alsnog betaald waardoor er volgens de bewindvoerder nu geen sprake meer is van een huurachterstand. [verzoeker] heeft deze verklaring van de bewindvoerder niet weersproken.

6.De slotsom

Dit alles maakt dat [verzoeker] op dit moment nog niet in staat is om zijn eigen vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Het voortzetten van het bewind is daarom op dit moment nog zinvol en noodzakelijk. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 februari 2023.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Hamer, I.G.M.T Weijers-van der Marck en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door de griffier, en is op 13 juli 2023 door mr. M.H.F. van Vugt uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.