Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De ouders zijn sinds augustus 2017 uit elkaar en de vader verzocht in oktober 2017 om een omgangsregeling met zijn twee minderjarige kinderen. Na meerdere tussenbeschikkingen en een langdurige procedure wees de rechtbank het verzoek in september 2020 af, met de aanbeveling contact via het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) te zoeken. Het hof bepaalde in maart 2022 dat onder begeleiding van het Omgangshuis minimaal twee uur per maand omgang moest plaatsvinden.
Echter bleek het traject bij het Omgangshuis niet effectief; na drie omgangsmomenten begin 2022 stopte het contact en het CJG kon geen regie meer voeren. Sinds juli 2022 is er geen omgang meer geweest. De kinderen hebben duidelijk aangegeven geen contact met de vader te willen, wat ook blijkt uit een brief van een van hen aan het hof.
Het hof oordeelt dat de inspanningsverplichting uit artikel 8 EVRM Pro is nagekomen en dat omgang anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen zoals bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW. Het verzoek tot omgang wordt afgewezen. Wel wordt een informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder de vader elk kwartaal schriftelijk informeert over het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen, inclusief recente foto's. Tevens wordt het maximaal haalbare contact via telefoon tussen vader en kinderen aanbevolen.
Uitkomst: Het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling wordt afgewezen en een informatieregeling wordt vastgesteld.