In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland is de verdachte veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf. De verdediging verzocht om diverse aanvullende onderzoeken en getuigenverhoren, waaronder het horen van een deskundige, een DNA-onderzoek op activiteitniveau, een contra-expertise van de doodsoorzaak en het horen van medeverdachten als getuigen.
Het hof oordeelt dat de verzoeken om het horen van de deskundige, het DNA-onderzoek en de contra-expertise niet noodzakelijk zijn, omdat het dossier en het reeds beschikbare onderzoek voldoende duidelijkheid bieden. Het verzoek om medeverdachten te horen wordt eveneens afgewezen wegens gebrek aan noodzaak, ondanks het verzoek van het openbaar ministerie om deze getuigen te horen.
Wel wordt het verzoek tot verstrekking van het digitale dossier aan de verdachte toegewezen, mits op een geschikte usb-stick. Het verzoek om een reclasseringsrapportage en schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen. Het hof besluit het onderzoek te heropenen, maar schorst dit vanwege proces-economische redenen voor maximaal drie maanden. Verder worden aanvullende getuigenverhoren gepland onder leiding van de raadsheer-commissaris.