In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de bewezenverklaring van opzettelijke brandstichting bevestigd. De brand vond plaats in een bedrijfspand met daarboven bewoonde appartementen, waarbij levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners aanwezig was. Het hof acht het bewezen dat verdachte het pand heeft verlaten zonder zich om de gevolgen te bekommeren.
De rechtbank had een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar opgelegd, maar het hof heeft deze straf vernietigd en een lichtere straf opgelegd. Het hof heeft rekening gehouden met de positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte, die sinds het bewezenverklaarde feit geen strafbare feiten meer heeft gepleegd en inmiddels fulltime werkt als teamleider. Ook is de redelijke termijn overschreden, wat in het voordeel van verdachte is meegewogen.
De opgelegde straf bestaat uit een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding is afgewezen wegens onevenredige belasting van het strafgeding en moet bij de burgerlijke rechter worden ingediend.
Het hof heeft onderzoeksverzoeken van de verdediging afgewezen omdat de noodzaak niet was aangetoond. De strafoplegging is zorgvuldig gemotiveerd met oog voor de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het belang van de maatschappij.